De ballen bulten in haar broekje

Ze loopt over de tennisbaan. Aan de tennisbaan grenzen volkstuintjes. Daar groeit kool, verschiet sla en geurt ui. Zij staat op de tennisbaan. Alleen. Zenuwachtig draait ze het racket terwijl ze naar de andere kant van de baan loopt. Ze raapt af en toe een verloren bal op de baan. De bal verdwijnt zorgvuldig in een zak.

Al ballen pakkend komt ze bij de andere kant aan. Ze gaat helemaal in de hoek van het veld staan, grabbelt een bal uit haar broekje en werpt de bal omhoog. Precies op het juiste moment slaat het racket de bal. Met een vaartje raakt de bal de grond waarna hij weer omhoog stuitert van het gravel.

Ze werpt de ballen in de lucht en laat ze het racket raken tot ze door het voorraadje heen is. Dan loopt ze traag weer naar de andere kant en raapt de ballen op. Ze verdwijnen in haar broekzakken. De ballen bulten in haar broek. Als de wratten van een pad vormt haar broek een grimmig geheel van onregelmatigheid.

De bulten deinen mee naar dezelfde kant van de baan. Een stukje uit de zon. Ze grabbelt weer in haar broekje en haalt een bal omhoog. Ze bekijkt het ronde ding als een kind dat net een cadeautje uit de grabbelton heeft gehengeld. Dan gooit ze de bal met een vaartje de lucht in en geeft er een klap tegen met het racket.

Als de ballen op zijn, loopt ze weg van de bulten naar de tafel die aan de rand van de baan staat. Ze pakt het flesje water, brengt de opening naar haar lippen en drinkt. Tevreden kijkt ze naar de man die languit op het blad van een tafel verderop ligt. Haar tennismaatje is duidelijk nog niet klaar voor de training. Ze loopt terug en raapt de gele ballen van het rode veld.

Als ze naar haar plekje teruggaat, bulten de ballen in haar broekje.

Dode egel op fietspad

Hij ligt stijdvaardig, half op de rug. Een egeltje dat deze nacht gesneuveld is. Midden op het fietspad heeft hij de doodstrijd geleverd. Het mocht niet baten. De forens ziet hem bij het krieken van de ochtend. De fietsband kan net op tijd uitwijken. Zo rijdt hij met een waardig bochtje om het diertje heen.

Geen monument voor hem. Zelfs geen moment. De dag roept. Geen tijd lang stil te staan bij het heengaan van een egel. De trein vertrekt dadelijk van spoor 2. De flitser schiet ongeduldig het donker in. Een volgende forens ontwijkt het dode dier. ‘Jakkes’, roept de vrouw die achter hem aan ternauwernood de dood passeert.

Hoe zou dit zo gekomen zijn. Hij is duidelijk slachtoffer van een ongeval. Een brommer die hij niet zag aankomen. Iets anders dat hem midden op het fietspad geschept heeft. Ik vraag het mij af. Een schuldgevoel bekruipt me. Waarom heb ik zijn dode lichaam niet even met de zijkant van mijn schoen in de goot geduwd?

Tegelijkertijd ben ik tevreden met het beeld van al die forensen die het lijkje ontwijken. Dan zien ze goed hoe de natuur het van de stad verliest.

Blogje schrijven

image

Het licht gaat uit. Ze doet de deur dicht. ‘Vannacht doe ik de deur open’, zegt ze. Ze komt naar beneden. ‘Hallo Inge.’ En gaat zitten op de bank. ‘Ik heb Doris net naar bed gebracht.’ ‘Moet jij niet naar boven?’ vraagt Inge. Verbaasd kijkt ze haar moeder aan. ‘Papa gaat altijd naar boven om een blogje te schrijven.’

Ze gaat de trap weer op, doet het licht naar zolder aan en klimt verder omhoog. Achter de computer kruipt ze en ze begint te tikken op het toetsenbord. Haar vader is achter haar aangegaan. ‘Wat ben je aan het doen?’  vraagt hij. ‘Ik ben een blogje aan het schrijven’, zegt ze. Ze tikt onverstoorbaar verder op het toetsenbord.

Met een wisseling van paradigma kun je niet vroeg genoeg beginnen.

5 kinderen in 1 maand

image

De najaarszon schijnt alsof het een zomerdag is. De lunchpauze trekt al het kantoorpersoneel uit de kantoren. Ze flaneren door de straten van Amsterdam Zuid die direct aan het kantoorpark grenzen. Het verbaast mij hoeveel heren nog keurig in het jasje met dasje lopen.

Een groepje van 3 heren komen mij tegemoet. Ze hebben de singel net gehad. Nu trekken ze een rechte lijn naar het kantoor. Het einde van de pauze nadert. De mannen zijn van mijn leeftijd. De ene aardappel zit nog dieper verstopt in de keel dan de ander. Het ene pak ziet net iets netter uit dan het andere. Maar iemand als ik ziet het verschil niet.

Het lijkt of ze even stil zijn geweest. ‘Dus’, hoor ik de roodharige jongen tegen de 2 andere mannen zeggen. Het gesprek was even vastgelopen, maar de smeerolie begint te druppelen. ‘Dus Andries krijgt ook een kind.’ Zijn taal klinkt zeer geaffecteerd. Alsof iemand de taal loeihard op zijn donder geeft.

De leren hakken klinken dof in deze heerlijke najaarszon. De blonde jongen trekt zijn dasje recht. Hij nadert kantoor. ‘Dat is wel heftig’, zegt de stropdas met het donkere haar. Zijn taal heeft dezelfde zweepslag gehad als dat van zijn blonde korpsgenoot.

‘Inderdaad’, roept de blonde. En ik kan het verschil niet meer horen tussen de 3 mannen. ‘5 kinderen in 1 maand’, eindigt de roodharige als hekkensluiter. ‘Dat is wel heftig zeg.’ De automatische deuren gaan open en de mannen worden opgeslokt door hun werk.

Turk op glijbaan

image

De speeltuin is druk op zondagmiddag. Een straaltje zon jaagt iedereen naar buiten. Kinderen buitelen over elkaar heen in de speeltuin van het Beatrixpark. Het speeltoestel dat midden in de speeltuin staat, trekt de meeste aandacht. Zo’n 20 kinderen springen, hangen en klimmen over elkaar heen in het hoge gevaarte.

Het ding zit boordevol uitdaging. De glijbaan is de waardige afsluiter van een klimavontuur dat je op diverse plekken kunt beginnen. Zo nemen kinderen het kromme trapje omhoog. Is de klimwand een uitdaging voor wat grotere kinderen. Daarnaast leven kinderen zich uit aan de 2 stangen die evenwijdig aan elkaar omhoog gaan.

De glijbaan is van boven afgesloten. Zo ontstaat een ronde koker. Wellicht is dit nodig voor de veiligheid. Maar voor veel kinderen vormt het de gelegenheid om de boel flink op te houden. Ze gaan dan aan het begin van de tunnel overdwars zitten en laten zich niet meer naar beneden glijden. Sommige ouders staan aan het einde van de glijbaan te gillen. ‘Ga glijden joh. Anders kunnen de andere kinderen niet glijden.’

Ik verwacht elk moment een corrigerende zin van de kinderen in de glijbaan. Iets als ‘doe eens normaal joh’. Maar in deze tijd krijgt een dergelijke zin direct een bepaalde bijklank. Net als het woord Turk dat onder de glijbaan geklad staat. Het haalt alle onschuld uit zo’n glijbaan. En uit deze blog.

Hoe facebook je kan raken

Kan facebook je raken? Zeker. Het overkomt me zeker een paar keer per week. Daarmee behoort het social network tot uitingen als het boek, een concert of een film. Laat ik eens een voorbeeld geven: de muziek van Arvo Pärt.

De organist Kees van Eersel vertelde een paar dagen geleden op facebook hoe hij zijn vingers stukspeelde op een orgelstuk van Arvo Pärt. De dominee van de Haagse Kloosterkerk vroeg of hij het stuk Mein Weg hat Gipfel und Wellentäler wilde spelen in de dienst van 2 oktober.

Een verzoek dat duidt op een goede muzikale smaak. Al klaagde Kees van Eersel over de korte tijd die hij had zich het stuk eigen te maken. Want het is zeker niet makkelijk. De snelle dalende en stijgende tremolo’s en het hoge tempo vragen om veel aandacht en oefening.

Ik kende de compositie niet en zocht op youtube naar een uitvoering. Het pakte me gelijk.  Misschien zorgen de foto’s van de Alpen en de eenzame bergklimmer voor de juiste sfeer. Het idee van de mens op de toppen en dalen van het leven, begreep ik. Je kunt niet voortdurend op de top blijven staan, want dan zie je niet dat je op de top staat. Zo zorgde de ogenschijnlijk nietszeggende opmerking van Kees van Eersel voor een mooie ervaring.

Overigens speurde ik gelijk verder naar werk van Arvo Pärt. Jaren terug kon ik al die commotie over de muziek van deze Estse componist niet begrijpen. De uitvoering van Pari intervallo op het derde festival Min of meer minimal, haalde me over meer van hem te beluisteren. Zo heb ik nu weer zijn Spiegel im Spiegel beluistert. Een indrukwekkende compositie voor piano en viool die een sfeer van melancholie en weemoed oproept. Ronduit prachtig en treffend. Wat mij betreft kan die zo mee in de dienst van de kloosterkerk.

Vuilnisbeer

image

Een grote blauwe vuilniszak staat naast de wagen. De bezem is geparkeerd tegen het busje met open achterkant. In de laadbak staat een man voorovergebogen bij het rek dat bestuurderscabine en laadbak van elkaar scheidt. Hij heeft een baseballpetje in de hand. Hij staat tegen een enorme knuffelbeer. De beer hangt aan het rek en de man frunnikt de pet op de kop van de beer.

Zelf heeft de berenversierder een kale kop. Uit het open raam van het busje klinkt dreunmuziek. Zijn collega komt met een andere bezem en een andere blauwe vuilniszak uit het bosje. Hij kwakt de vuilniszak tegen de voorband van het busje. Ook hij frunnikt maar dan in zijn zak en haalt een sigaret tevoorschijn.

Als hij de sigaret aansteekt, zit het petje op de kop van de beer. Trots kijkt de kale pettenman naar zijn collega. ‘Die zit’, mompelt hij. ‘Inderdaad, die zit’, krijgt hij als antwoord. De rook blaast omhoog in de richting van de beer. De beer, een afdankertje, net als de pet, kijkt niet op of om. Even onbewogen als het moment dat een kale man over hem hing om een petje op zijn hoofd te klemmen.

Huisspin

image

Voor het raampje achter heeft de huisspin een web gemaakt. Het ziet er imposant uit. De spin precies in het midden. De poten gespreid, wachtend op een prooi.

De achterdeur staat open vanwege het lekkere najaarsweer. Zodoende vliegt een grote bromvlieg binnen. Hij trekt lange lijnen door de kamer. Al vliegend bromt hij zo dat een oud vliegtuig er niks bij voorstelt. Met lange halen tikt hij tegen de ruiten voor en achter.

Even later is het stil. De spin zit stil in zijn web. Onder het web, op de vensterbank liggen kadavers van dode vliegen. Zij zijn gesneuveld in hun baantjes tussen het raam voor en het raam achter. Bijna trots bromt het vliegtuig door de kamer.

Dan vliegt hij in de richting van de openstaande achterdeur. Ik zie hem naar buiten vliegen. Verbaasd en opgewonden tegelijk. Als ik teleurstelling op het gezicht van de spin zou kunnen lezen, dan zou ik die nu kunnen lezen. Misschien zwerft ergens een papiervisje voor hem.

Keizer Karelplein

Het Keizer Karelplein in Nijmegen is niet een geliefd verkeersplein voor mij. Ik had 2 maanden mijn rijbewijs en wachtte keurig voor het stoplicht. Ineens ging een vrachtwagen voor mij in zijn achteruit. Ik kon niet snel genoeg wegkomen en de voorkant van onze auto werd aan gort gereden.

De vrachtwagenchauffeur bleek bij het invullen van de papieren een dag eerder zijn vrachtwagenrijbewijs te hebben gehaald. Sindsdien zitten onze koplampen niet meer zo mooi in de carrosserie.

Gisteren mocht ik opnieuw over het Keizer Karelplein rijden. Het idee er overheen te moeten, treiterde me al lange tijd voordat we Nijmegen inreden. Bij het aankomen bij de rotonde mocht ik ook nog eens bijna de hele rotonde rijden. Ik begrijp de rotonde niet zo goed. Dat komt vermoedelijk ook omdat het 1 van de weinige echte rotondes in Nederland is. Daar heeft het opkomend verkeer voorrang. Op vrijwel alle rotondes heeft het verkeer dat op de rotonde rijdt voorrang.

Als ik op het Keizer Karelplein rijdt, lijkt het of alle Nijmegenaren precies begrijpen hoe het verkeersplein werkt. Alle bezoekers raken de weg volledig kwijt zodra ze de rotonde oprijden.

Het ging goed. Alleen nam ik een afslag te vroeg, waarna ik wat verderop mocht keren en nog een keer het Keizer Karelplein mocht nemen. Gelukkig 1 afslag. Net als op de terugweg. Ik hoefde enkel voor het stoplicht te wachten. Daar waar het in 2003 misging. Maar zelfs dat ging goed.

In de tweet dat ik het Keizer Karelplein had overleefd, zat evenveel opluchting als verbazing. Wel jammer dat ik op de terugweg de kringloopwinkel van Nijmegen miste, want wat was ik graag in de Nijmeegse vestiging van Kringloopwinkel Het Goed binnengestapt.

Broodzakje

De donkere kop drukt de snavel in het plastic zakje. Vervolgens maakt hij zich los van het zakje en hakt flink in het plastic. Beducht van alles wat voorbij komt. Ik fiets langs. Zie hem druk in de weer. ‘Zo jij hebt mazzel’ , mompel ik. Het kauwtje vliegt op van zijn prooi. Ik weet niet of het van mij komt of van de bus die met hoge snelheid voorbij raast.

Als ik even later terugfiets omdat ik het zakje met kraai dolgraag op de foto wil hebben, zit een ekster op het zakje. Zijn klauwen grijpen in het plastic. Hij hakt wat kalmer. Met minder driftige bewegingen dan het kauwtje. Ook hij vliegt op als ik te dicht bij hem kom. Zo ligt het zakje daar eenzaam.

Een meeuw vliegt voorbij en kijkt of de kust veilig is. Een rode spitsbus rijdt over de brug en de meeuw ziet weinig kans. Het zakje boterhammen is duidelijk verloren door een fietser die over de bus reed. Uit de rugzak gevallen of op een andere manier kwijtgeraakt. Een kraai heeft een plekje gevonden in de boom bij de brug. Ik weet dat hij toeslaat als ik weg ben.