Snekkie, patat en oorlog

Snackbar Snekkie aan de Rembrandtlaan in Almelo
Snackbar Snekkie aan de Rembrandtlaan in Almelo

Van het handjevol snackbars dat ik ken, is Snekkie in Almelo het eenzame hoogtepunt. De zaak wordt al jaren gerund door een Chinees echtpaar. Nog voor de Chinezen massaal snackbars overnamen, waren zij al de trotse eigenaar van Snekkie. Ze draaien de diensten ook altijd samen. Ik heb ze nooit alleen zien werken.

De inrichting stamt nog uit de openingstijd van de snackbar. Overal zijn schrootjes. De toonbank is donkerbruin en alle schrootjes zijn dik afgelakt met een donkerbruine glanslak. Voor het raam hangen gordijnen die het publiek een stukje anonimiteit biedt, maar die de winkel van binnen nog donkerder maakt.

Snekkie is befaamd om haar saté met pindasaus. Je moet er een flink bedrag voor neerleggen, maar dan heb je wel een overheerlijke saté. De satésaus die erbij geserveerd wordt, is onovertroffen. De danseres was net uit het ziekenhuis. We haalden een lekker portie saté en patat voor haar bij Snekkie. Het was 1 van de laatste maaltijden met haar. De dag voordat we met haar de overheerlijke asperges aten. Maar van de snack van Snekkie hebben we eveneens genoten.

De laatste dag op de camping sloten we ook af met een snack bij Snekkie. Na het rijden van het rondje kringloopwinkels, eindigden we onze speurtocht hongerig bij de snackbar aan de Rembrandtlaan in Almelo. Tot mijn verbazing hingen de vitrages niet voor de ramen. Het gaf de snackbar gelijk een vrolijker aanzien. Voor ons hing een puber aan de toonbank. Hij wachtte op zijn bestelling. Wij waren gelijk aan de beurt. Je moet altijd wel even wachten op je bestelling, maar dan krijg je ook wat: heerlijk afgebakken friet en snacks die goed gaar zijn.

De jongen kreeg een grote plastic zak met snackwaar mee. Na hem was nog een echtpaar met kind dat de bestelling in het zakje meenam. Tenslotte kwamen onze patat oorlog met vers gesneden uitjes, saté en berenhap. We waren het heerlijk aan het opeten. Onderwijl zagen we hoe nieuwe klanten binnendruppelden en bestelden. In de hoek bij het snoep en fruitautomaat, zat een oude Chinees op een gammel krukje. Hij hing een beetje tegen de muur en sloeg het hele schouwspel gade van komen en gaan.

De telefoon ging. Meneer Snekkie nam op. ‘Nee, geen patat oorlog’, riep hij de microfoon in. ‘Dat staat niet op bon. Patat oorlog.’ Hij probeerde het nog een keer in dezelfde bewoordingen en keek zijn vrouw even aan. ‘Geen patat oorlog toch?’  Ze schudde haar hoofd en begon met de hoge staccatostem door de snackbar te galmen. ‘Geen patat oorlog. Niet op bon.’ De man drukte de hoorn van de telefoon weer tegen zijn oor. Hij herhaalde wat zijn vrouw zei.

Het hielp niet. Moedeloos herhaalde hij het nog een keer en gaf dan de hoorn aan de vrouw. ‘Patat oorlog, stond niet op bon. Alleen patat Joppie.’ Daarna herhaalde haar hoge stem hetzelfde nog een paar keer. Met een zucht drukte ze eindelijk het knopje van haar telefoon in en begon te praten met haar man. De woorden Patat oorlog en Patat Joppie volgden snel op elkaar. Net als de bon waar het steeds over ging.

Ze maakten het portie klaar voor een klant die wachtte op zijn bestelling. De deur van de snackbar ging open en de jongen van zojuist stond weer in de zaak. Zijn hoofd was knalrood van de inspanning. Hij moest ook hijgen. De fietstocht van huis naar Snekkie had hem veel inspanning gekost. De opwinding de andere. ‘Kijk maar’, zei hij nog voor hij goed binnenstond. Uit zijn zak haalde hij de bon. ‘Patat Joppie en geen Patat oorlog. Maar ik moet een Patat oorlog hebben.’ ‘Dat stond niet op de bon’, zei de vrouw. ‘Het staat toch hier’, reageerde de jongen onthutst. ‘Op de bon die je ons gaf, stond Patat Joppie en geen Patat oorlog.’ De discussie ging nog even over en weer. De jongen gaf het op. ‘Doe dan maar een Patat oorlog.’

De jongen mocht nog even op zijn beurt wachten. 2 oudere vrouwen kregen hun bestelling in een zakje en liepen ermee de winkel uit. Ze babbelden druk over een artikel dat ze ergens gelezen hadden. De jongen kreeg vrijwel meteen ook zijn patat oorlog en betaalde. ‘Kan dit ook op de bon erbij?’ vroeg hij. ‘Dat kan niet’, zei mevrouw Snekkie. ‘En de volgende keer de juiste bestelling op de bon zetten’, zei ze nog toen hij wegliep.

Ze schudde haar hoofd en praatte nog even met haar man. De jongen haalde de fiets van de standaard en reed met hetzelfde rode hoofd weg. Nu begon de oudere Chinees die tegen de muur bij de snoepkast zat te praten. Hij vroeg het echtpaar iets in het Chinees. Ze antwoordden. In hun verhaal in het Chinees hoorde ik regelmatig de woorden Patat, Oorlog en Joppie terugkomen.

Rondje kringloopwinkels in Twente

Ingang van kringloopwinkel Het Goed in Hengelo
Ingang van kringloopwinkel Het Goed in Hengelo

Het dreigde wel allemaal erg te verregenen op camping Westerholt deze vakantie. Ons veldje was meer water en modder dan gras. En het werd koud in de caravan. Vooral op het laatste – temperaturen overdag van 16 graden – waren we niet zo ingesteld. Het plezier in de vakantie was een beetje aan het wegebben. De vele regenbuien en het drassige veld deden de rest.

Op de terugweg gisteren trakteerden we onszelf op een rondje kringloopwinkels in de omgeving van de camping. We begonnen bij Het goed in Hengelo. Deze kringloopwinkel staat hier nog niet zo lang. In de tijd dat ik in Hengelo werkte, 2003-2005, was de kringloopwinkel gevestigd aan de andere kant van Hengelo.

Ik was verbaasd over de prachtige winkel aan de Hamerstraat. Wat een geweldige ruimte en wat is het mooi opgezet. Het voldoet aan de eisen van een moderne kringloopwinkel. De kleren waren mooi gesorteerd op kleur en model. Banken kregen een mooi plekje. Net als de bedden. Voor de matrassen en onderstellen waren stevige rekken gemaakt. Alles overzichtelijk neergezet.

Hetzelfde gold voor de kringloopwinkel die we daarna aandeden: De Beurs in Oldenzaal. Eveneens in een mooi pand, bij de plek waar de Oldenzalers ook hun grofvuil kunnen inleveren. De perfecte plek om mensen bewust te maken van afval en het hergebruik hiervan.

Kringloopwinkel De Beurs in Oldenzaal
Kringloopwinkel De Beurs in Oldenzaal

Qua boeken was Oldenzaal een walhalla wat betreft prijzen. De kringloopwinkel van Hengelo vroeg hogere bedragen voor de boeken. Er lag bij beide kringloopwinkels een mooi aanbod. Dat wil zeggen dat ik allebei de winkels verliet met een stapeltje boeken onder mijn arm.

Na Oldenzaal zijn we doorgereden naar Tubbergen. De kringloopwinkel van Tubbergen is van hetzelfde ‘keten’ als die van Oldenzaal. Wat Oldenzaal had, had Tubbergen niet. De collectie was niet mooi opgesteld en bood de winkel niet de mogelijkheid voor een kopje koffie. Eveneens ontbrak in Tubbergen de mogelijkheid te toiletteren. Voorzieningen die echt bij een bezoek aan de kringloopwinkel horen. Als je goed wilt grasduinen, kost dat tijd. Een versnapering of toiletbezoek is dan echt nodig.

De grootste teleurstelling was echter de kringloopwinkel van Almelo. Voorzover deze te achterhalen was. De oude winkels aan de Nieuwstraat bestaan beide niet meer, maar staan nog wel op internet. De winkels Het rondje en De cirkel zijn al langere tijd gesloten. Na lang speuren via de trage internetverbinding op de camping via Hi, vonden we de winkel Oud & Nieuw aan de Bornebroeksestraat. Een kringloopwinkel die hier nog niet zo lang gevestigd is.

De winkel is per auto slecht bereikbaar. Er is nauwelijks parkeermogelijkheid en de Bornebroeksestraat is op de plek van de winkel erg rommelig. Maar dat is niet het ergste. We hebben de winkel al op vrijdag proberen te bezoeken. Er hing een briefje op de deur dat ze even spullen bij iemand aan het ophalen waren. Het was onduidelijk wanneer de eigenaar terug zou zijn.

Gistermiddag was het van hetzelfde laken een pak. We arriveerden iets over vijven voor een dichte winkel. De medewerker vertelde me dat hij om 17.00 uur sluit. De openingstijden staan niet bij de deur vermeld. En als je dan voor 17.00 uur aankomt, loop je het risico dat ze er niet zijn. Jammer, want met deze onbetrouwbare openingstijden is het lastig om klanten te krijgen.

Erg leuk om te doen, een rondje kringloopwinkels. Dus, er komt zeker een vervolg…

Google op snelweg

image

We reden bij Amersfoort op de snelweg. Voor ons reed een auto waarbij op de achterruit een oranje licht knipperde. Op het dak van de auto stond een stellage waarin camera’s 360° om zich heen registreerden.

‘Daar rijdt Google’, zei ik. De auto voer een constante snelheid. Dat was nog eens een leuk gezicht. We haalden de google-auto in. Op de motorkap prijkten witte en rode strepen. Inderdaad hier werd hard gewerkt. Google filmde hier het Nederland voor Google maps.

Ik ga over een halfjaar eens kijken of ik mezelf zie rijden op google maps bij Amersfoort.

Smurfenfilm

image

Een ononkoombaar feit: de smurfenfilm. Alle filmtrailers en reclame had Doris zo enthousiast gemaakt. Daar wilde ze naar toe. Vooral de zin uit de mond van smurfin vond ze geweldig: ‘je smurft het verkeerde meisje’.

Daarom mocht ze in de vakantie naar de smurfenfilm. Door allerlei omstandigheden kwam het er niet van. De weersvoorspelling van vandaag bracht ons op het idee maar eens naar de film te gaan. Daarom reden we vanmiddag naar de nieuwe bioscoop in Almelo, Movie Unlimited, voor de film in 3D.

Bij de kassa was er wel een teleurstelling: de bioscoop beschikt niet over een ringleiding voor doven en slechthorenden. Volgens de medewerker was de aanschafprijs van dit mooie hulpmiddel te duur op het dolby surround system. Op een subsidie zou de bioscoop geen aanspraak kunnen maken. Jammer, want je bedient er een groot publiek mee. Zeker ook in aansluiting op de 3D-ervaring.

De smurfenfilm was een leuke film voor het hele gezin. De mix tussen animatie en acteurs van vlees en bloed, is leuk. En de verhaallijn ook. Het is een spannende film waarbij de smurfen en hun grote vijand Gargamel in New York terechtkomen via de magische blauwe maan.

Dat het visioen van grote smurf goed afloopt, spreekt voor zich. Doris was er vol van. En de film bestond uit meer dan die ene zin.

Vanille-ijs voor de hond

image

We lopen door de Grote straat van Almelo. De dranghekken vertellen dat de Profronde van Almelo dadelijk begint. Wij zijn er voor een vliegengordijn en horgaas om rond de ramen te spannen. Nu lopen we naar Talamini voor een ijsje. Achter elkaar want het pad is niet breed genoeg.

In de ijssalon staan een vrouw, een meisje en een hond bij de toonbank. Ze horen bij elkaar. De hond, een grote lobbes, gaat op de grond liggen. De tong hangt een flink eind uit de bek. De vrouw krijgt 2 ijsjes. ‘Mijn vorige hond kreeg hier ook altijd een ijsje’, zegt ze. Ze kijkt naar de lobbes. ‘Ach, doet u voor hem maar een vanille.’

De serveerster pakt een hoorntje en drukt het bolletje op het  krakerige hoorntje. Ik hoor de cracker al kraken in de hondenbek. De hond heeft nog niet in de gaten wat hem boven de kop hangt. Hij komt traag overeind als zijn vrouwtje hem roept.

Als we op het terras de wielrenners zien voorbij stevenen, kwispelt de hond zijn staart rakelings over het tafelblad. Het ijsje is op, maar de tong vertelt druipend dat hij nog wel wat lust.

Vliegend over een Ruberoid-dakbedekking

Tweedehands boeken bevatten vaak gebruikssporen van vorige eigenaars. Er staat een naam voorin, een datum of een opdracht. Vroeger verafschuwde ik dergelijke littekens, maar ik ben er steeds meer van gaan houden. Sterker nog: ik ben er gek op. Ik laat tegenwoordig alles staan. Het zegt dat een boek van eigenaar naar eigenaar gaat. De bezitter wordt zo onderdeel van het boek zelf.

Bij de kringloopwinkel Wawollie in Goor kocht ik laatst een boek met luchtfoto’s uit 1977, Vliegend boven Nederland. Je ziet daarin steden van bovenaf gefotografeerd. Het biedt een mooi overzicht van de steden en vooral hoe ze in de afgelopen 35 jaar zijn veranderd. Heerlijk om in te bladeren.

Ik trof achterin het boek een brief. Het fotoboek was een afscheidsgeschenk voor ene Henk. Hij kreeg het van de firma Cekadak uit Maassluis. De brief is werkelijk geweldig. Je zou dromen dat elk boek dat je kocht zoveel informatie bevatte over de eigenaar.

“Beste Henk,

Dakdekkers die de Cekadak-dienst verlaten, geef ik als regel deze kleine attentie mee. Je was niet bij Cekadak in dienst, maar wel hebben wij als goede collega’s gedurende een aantal jaren in het veld en in de dealercommissie mogen samenwerken; zoals dat van trouwe Ruberoid-aanhangers verwacht mag worden. Daarvoor bij deze dan ook mijn hartelijke dank.

Ik hoop, dat je met hetzelfde enthousiasme als destijds bij de intrede in de dakbedekkersbranche, je nieuwe job zult ingaan en wens je daarbij alle succes toe.

Het boekje was slechts een middel om je er aan te herinneren hoevele van de afgebeelde daken met Ruberoid-produkten, ook door ons als Ruberoid-verwerkers zelf, zijn bedekt. Mogelijk een aardig show-album voor je toekomstig werkgebied in het Midden-Oosten, waar CKK-Middle East gaarne tot je beschikking zal staan voor alle nodige informaties op dakbedekkings -en andere vakgebieden.

Het ga je goed!”

Dit boek kan ik niet meer bekijken zonder op de afbeeldingen te turen naar de ruberoid-bedekte daken. En ik weet zeker dat Henk veel inspiratie heeft opgedaan bij het bladeren door dit boek.

Een mooie toegift bij een boek van de kringloop. En dat allemaal voor 1,75 euro.

De hap-hoek van Ratelband

image

Het is het eind van de middag. De winkels sluiten en de maag knort. Ik heb me bij de Rijn erover verbaasd dat dit zo’n levenloos gebied is. Ook kijk ik met verwondering naar de lelijke nieuwbouw waarmee de stad herbouwd is.

Arnhem heeft zeker mooi herbouwde stukken. Je kunt daar de historie niet van de reconstructie onderscheiden.  Maar het gedeelte rond het provinciehuis en de Rijnkade is zonder gedachte herbouwd.

Moegelopen trek ik weer de binnenstad in, op zoek naar de snackhoek van Emile Ratelband. De snackbar staat op de hoek van de Roggestraat, een straat die verlengd ligt met de Ketelstraat uit het monopoliespel. Een dame die voor mij liep, in een witte broek bestelt een frietje. Ik waag het er ook maar op. Al at ik er vroeger vooral frikadellen of kroketten. Die krijg je nog altijd in porties van 2 voor een zacht prijsje.

Door de 2,10 euro die de friet  kost, staat een kruis van viltstift. De jongen achter de geïmproviseerde toonbank draagt een vreemd verband om zijn pols. De witte band is vergeeld door het frituurvet. Ik bestel een middelgrote patat en moet er 2,45 euro voor betalen. De aardappelprijs lijkt jaarlijks met 20 procent te stijgen.

De hap-hoek van Ratelband straalt vooral vergane glorie uit. De zaak is niet veel breder dan een meter. Ik meen te weten dat hier vroeger een bakkerij huisde van Vader Ratelband. De zoon Emile heeft er een snackgelegenheid van gemaakt met een muur waar je iets kunt trekken. Ooit zag ik hem in de zaak friet bakken. Hij werd net een beetje beroemd met ‘Tjakka’ en het gebeuren van NLP. Nu zeggen NLP-aanhangers dat Emiles evangelie weinig met NLP te maken heeft.

Ik ga met m’n zak friet en een kroketje en frikadel op het kunstwerk zitten op het pleintje tussen Roggestraat en Ketelstraat. De bankjes rond het kunstwerk zijn bezet met mensen die eveneens goudgele aardappelstukjes uit de gele puntzakjes trekken. Ik proefde friet minder vet dan vroeger, maar met een lang kletsverhaal op de buitenkant.

Uit de Koningsstraat komt een invalide aangereden. Hij heeft zich niet geschoren en draagt een grote bril. Hij zit in een rolstoel en kijkt mij indringend aan. Een paar centimeter voor het stenen bankje laat hij de stuurknuppel los. De stoel staat stil. Hij kijkt me nog altijd aan. Ik knik bij wijze van groet en pak met het houten vorkje een frietje uit de zak. De man houdt een zak vast waar uit de onderkant een stokbrood naar beneden wijst. Bovenin is de zak dichtgeknoopt en hij weet hem zo vast te houden dat hij nog ruimte heeft het stuurknuppeltje te bedienen. In de andere hand rust een plastic tasje. Het logo van de keurslager staat erop.

De man hengelt met een vrije vinger onder zijn arm en tovert een handtasje te voorschijn. Onderwijl kijkt hij me aandringend aan. Ik pak de kroket en zie dat hij stijf is geworden van het warmhoudplaatje waarop hij achter het raampje lag. De invalide is druk in de weer de rits van het tasje open te krijgen. Dan verdwijnt zijn wijsvinger in het gat om er iets uit te vingeren. De korst van de kroket is warm, de inhoud koud.

Hij haalt er een donker staafje uit. Het is een sigaar, die hij op zijn buik legt. De wijsvinger verdwijnt samen met de middelvinger weer in het gat. Ik zie hoe hij zich de voorwerpen voorstelt die door zijn vingers glijden. Een moment later komt een aansteker tevoorschijn. De man friemelt de sigaar in zijn mond en probeert handen vrij te maken om de sigaar aan te steken.

Ik ben halverwege. De mayonaise drukt tegen de papieren zak en de frietjes verlaten zonder saus het zakje. Ik pak de frikadel en neem een hap. Het stokbrood bengelt nu vervaarlijk los. Ik vraag mij af wanneer het brood meegenomen wordt door de zwaartekracht. Hij probeert het vuur in de sigaar te krijgen. Slechts een puntje as verschijnt. Opnieuw vuurt de aansteker. Hij zuigt aan de sigaar. Er stijgt wat blauwe rook op. Het vliegt langs mij terwijl ik de laatste hap van de koude frikadel neem.

Ik hengel verder frietjes omhoog. ‘Is het wat?’ vraagt de man in de rolstoel. We kijken elkaar wat langer aan. ‘Ik heb het 1 keer op. Verschrikkelijk vet.’ Hij maakt een gebaar van afschuw met zijn gezicht. Het lijkt of hij ieder moment de sigaar uit zijn mond kan spugen. Een wolk rook stroomt uit een mondhoek. ‘Maar laatst hoorde ik dat het heel aardig smaakte. Dat het gemaakt is van verse aardappelen. Proef je wat? Dat het echt aardappelen zijn?’

Ik knik. ‘Ach smaakt heel aardig’, zei ik. ‘Inderdaad niet zo vet als vroeger.’ Ik voel even de klontering van vroeger in mijn maag. Van het lege zakje maak ik een prop. Mijn maaltijd zit erop. Ik sta op en loop naar een vuilnisbak. ‘Tot ziens’, roep ik nog bij het weglopen.

Als ik net verder wil lopen, draai ik me snel om en zie de rolstoel wegrijden. Het stokbrood ligt op de plaats waar ik net zat. Ik wil hem nog naroepen, maar bedenk me net op tijd.

Plaats, muzikanten en publiek smelten samen in Stevenskerk

image

De Stevenskerk in Nijmegen leent zich uitstekend voor een improvisatieconcert. Zeker ook als 3 improvisatoren van hoog niveau het orgel bespelen. Zeker ook als het publiek uitdagende thema’s aandraagt. En zeker ook als het wat eerder donker wordt. Het draagt allemaal bij aan een prachtige muzikale ervaring.

Vorig jaar schreef ik over 2 van de 3 improvisatoren die ik vorig jaar in een vergelijkbaar concert in Dordrecht hoorde. Gisteravond mocht ik Bert Matter, Berry van Berkum en Toon Hagen in de Stevenskerk van Nijmegen horen. Wat een contrast in sfeer, thema’s en ook muziek.

In Nijmegen werd het publiek, op eigen voordracht, getrakteerd op jazz, blues, de muzen, een verjaardagslied, evergreens en uiteraard stichtelijke liederen. Een mooi contrast met Dordrecht vorig jaar toen vooral geestelijke liederen werden voorgesteld. Mijn thema van de Lambada, werd opgepikt door Berry van Berkum en hij maakte er iets indrukwekkends van.

Nu speelden Matter, Van Berkum en Hagen een keur aan thema’s. Vrije thema’s zoals een passacaglia en psalm 8. Met het laatste thema opende Bert Matter overtuigend. Hij begon in een marsthema en speelde met uitkomende stemmen. Vooral de opening was sterk. Het ingetogen deel met strijkers en prestanten eindigde verrassend met een nieuw thema: lang zal hij leven. Matter eindigde even strak als hij begin met een akkoord waar je nog lang naar kon luisteren.

De passacaglia speelde Toon Hagen. Hij speelde het in een erg mooie beginregistratie waarbij de flageolet een mooi contrast vormde met het diepe pedaal. Geen slechte. Wat ik persoonlijk een beetje jammer vond dat de rust van het begin een beetje ontaarde in bombastisch spel. Onnodig omdat de improvisatie meer dan genoeg rust in zich zelf had. Het had zelfs helemaal in dezelfde registratie uitgevoerd kunnen worden.

Van Berkum had de blues gisteravond. Hij speelde 2 improvisaties. Ook bij hem mondde de eerste improvisatie uit in bravour. Hij liet hiermee meer een jazzy-indruk achter. Wel imponerend gedaan en gebruikmakend van andere ritmes dan die bij veel orgelimprovisaties worden gebruikt.

Bert Matter maakte veel indruk met zijn miniaturen over de Muzen. Hij wist hierbij de fluiten overtuigend in te zetten bij de.liefdespoëzie en de prestanten kwamen goed tot hun recht in het gewijde lie. Overigens liet Matter hier een mooie kans liggen om de thema’s te combineren met de 5 flapover-flappen aan thema’s die het publiek voordroeg.

Dat maakte Berry van Berkum helemaal goed met de slotimprovisatie. Hij speelde op het hoofdthema In Paradisum. Hierbij integreerde hij een scala aan subthema’s waaronder een heel kort fragment uit mijn ingebrachte liedje van het Angry birds spelletje. Het was een imposante improvisatie in de minimal stijl. Vooral het einde wist goed de senere stilte van de kerk te pakken. Het publiek was zo gegrepen dat de uitvoerder lang op het applaus mocht wachten. Het grootste compliment dat je van je publiek kunt krijgen.

Het was niet de indrukwekkendste improvisatie, dat was voor mij onbetwist de voorlaatste improvisatie, uitgevoerd door Toon Hagen. Hij combineerde de beroemde aria Jesu Joy of Man’s Desiring uit de cantate Herz und Mund und Tad und Leben van Bach in combinatie met gezang 299. De improvisatie greep mij bij de kladden. Ik raakte zelfs ontroerd. En Toon Hagen had de thema’s uitermate goed in de hand. Hij wisselde ze mooi af en voerde ze gelijktijdig uit verspreid over de verschillende thema’s. Voor mij het hoogtepunt uit deze enorme hoeveelheid uitgevoerd door 3 organisten die er zelf minstens zoveel plezier in hadden.

Het publiek speelde hier gretig op in. Niet alleen door het aanleveren van vindingrijke thema’s, maar ook in de luisterhouding. Een improviseren is communiceren met het publiek, zei wijlen Jan Jongepier eens. Dat is het ook, want het vormt ook een momentsopname. Daar kan geen audio-opname tegenop. Het moment is net zo belangrijk als orgel, organist en publiek. Dat heb ik gisteren in de Stevenskerk van Nijmegen zeker ervaren.

Voor de liefhebber: Bert Matter geeft woensdag 31 augustus om 20.15 uur een concert in de Eusebiuskerk in Arnhem. Wie weet geeft hij daar ook nog een improvisatie weg.

Organische architectuur: de Andrieskerk in Amsterdam

Aan de achterkant van de plek waar ik werk, loop ik regelmatig langs een bijzondere kerk: de Andrieskerk. Ik herkende de stijl onmiskenbaar als de vorm van organische architectuur, in Nederland vooral bekend geworden door het architectenduo Alberts en Van Huut. Zij hebben ondermeer het hoofdkantoor van ING (1986) en het Hoofdgebouw van de Gasunie (1994) ontworpen.

Dat het organische architectuur in Nederland eigenlijk geïntroduceerd is door een heel andere architect, is wat minder bekend. Het is de architect van de kerk vlak achter mijn werk. De Rotterdammer H.W.M. Hupkes ontwierp in 1966 voor dezelfde de Christengemeenschap, een beweging tot religieuze vernieuwing, de kerk aan de Lumeystraat 33. Deze kerk krijgt overigens binnenkort de naam Michaelkerk (let op bestand in .pdf). Een goede uitleg over dit kerkgebouw geeft de website antroposofierotterdam.nl (let op bestand in .pdf).

Overigens vind ik de Amsterdamse kerk een krachtige uitstraling hebben. Het gebouw oogt eenvoudig, maar heel symmetrisch. Het kerk is helemaal gedacht vanuit een vijfhoek, de volmaakte vorm ontleend aan de Gulden snede. Het horizonale vlak bestaat alleen maar in de vloer van de kerk. Verder lopen allen lijnen in de verhoudingen van de vijfhoek. Het geeft een rustige uitstraling. Die bijvoorbeeld heel sterk tot uiting komt in de ramen en in het ingangsportaal.

Ingang Andrieskerk Amsterdam

Het organisch bouwen heeft haar oorsprong in de werken van Gaudi. Het ingangsportaal van Amsterdam bevat sterke verwijzingen naar de grote kerk van Antoni Gaudí, de Sagrada Família in Barcelona. De Zwitsers antroposoof Rudolf Steiner behoort eveneens tot een inspiratiebron voor deze achitectuurbeweging. De Rotterdamse architect Henk Hupkes kreeg ermee te maken bij de bouw van de kerk voor de Christengemeenschap in Zeist. Hij raakte onder de indruk van deze bouwwijze en paste dit veelvuldig toe.

Hupkes werd min of meer de huisbouwmeester van de religieuze beweging die onder voortkomt uit de antroposofische beweging van Rudolf Steiner. De kerkenbouw van Hupkes voor de Christengemeenschap verschilt hiermee flink van zijn eerdere gebouwen, zoals de Immanuelkerk in Rotterdam Alexanderpolder of de Marcuskerk in Delft.

Andrieskerk Amsterdam

De kracht van het kerkgebouw in Amsterdam ligt volgens mij bij de eenvoud. Het gebouw bevat van buiten geen enkele poespas, maar is prachtig in de gedetailleerde uitvoeringen zoals de hemelwaterafvoeren. Het staat in schril contrast met de weg die Alberts en Van Huut zijn ingeslagen. Zij ontwierpen slechts 1 kerk. Het was altijd een droomwens van het architectenduo om een kerk te ontwerpen. De verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen ze de nieuwe katholieke kerk in Almelo mochten ontwerpen.

Het ontwerp van de Elisakerk valt ronduit tegen. Ik denk dat dit komt omdat het gebouw teveel opsmuk heeft gekregen. Het kenmerk van het organisch bouwen is de eenvoud van materialen en ontwerp. Hetzelfde geldt voor dat andere gebouw van Alberts en Van Huut dat iedereen kent maar niemand mooi vindt: de hoofdkantoren van DSB in Wognum. Al ligt bij de laatste ook een sentimentele reden.

Als ik nog een keer de gelegenheid krijg, bekijk ik de kerk in Amsterdam ook van binnen. Zo is er een prachtige muurschildering en wordt het lijnenspel van buiten de kerk ook in het interieur doorgevoerd.

Tuin leegtrekken

Haar hoofd drukt tegen het raam. Haar hand duwt de telefoon tegen het oor. Er blijft weinig ruimte voor de hand over tussen het hoofd en het raam. ‘Nee mam. Ik bedoel het niet zo. Ik wilde alleen maar een keertje komen helpen. Dat heb ik vanmorgen aangeboden.’ Ze is even stil. ‘Natuurlijk kunnen we. Anders boden we het toch niet aan.’

Haar ogen zijn even donker als haar haren. De huid is gebruind van een vakantie, alleen op hand bij de duim zie ik witte vlekken. Hier is vroeger iets pijnlijks gebeurd. Ze houdt de telefoon normaal vast. Alleen de spieren rond haar lippen trekken zenuwachtig. Hier is iets aan de hand. ‘Geef me anders papa even.’ Het is weer stil. De cadans van de wielen vertelt dat de trein een station nadert.

‘Nee papa, natuurlijk weet ik dat het nog niet helemaal rond is. De bank moet nog akkoord gaan, maar het scheelt als we alvast een beginnetje maken.’ […] ‘Nee, natuurlijk gaan we niet de hele tuin leegtrekken.’ De trein staat stil. Een groepje mensen gaat naar binnen, kijkt de telefoniste aan die in de richting van de glazen afscheiding tuurt. ‘Natuurlijk laten we de schutting staan, maar we dachten dat het zou schelen als we alvast het grote spul eruit halen.’

‘Het scheelt gewoon enorm als er al veel gedaan is.’ […] ‘Ik begrijp dat mama geschrokken  is toen ik het vanmorgen aanbood. Maar jullie kunnen ook niet alles en het is wel heel veel straks.’ […] ‘Tuurlijk gaat de schutting niet weg. Anders sta je zo in de kijker. Dat snap ik ook wel. Maar het is zo’n grote belasting als dat allemaal ineens moet. Snap je.’ De trein zet zich weer in beweging.

‘Nee, het is geen extra belasting voor ons, anders boden we het niet aan. En ik begrijp dat nog niet alles rond is, maar dan is het alvast gebeurd.’ Het gesprek draait rondjes mee op de wielen van de trein. De trein komt vooruit door de wielen te laten draaien. Opnieuw vertragen de wielen. Het ritme van de trein verandert in een langzame trend. Hij remt verder. Ik stap uit en zie hoe ze achter mij de roltrap op stapt. ‘Nee, natuurlijk trekken we de tuin niet leeg. Dat is zo’n kale bedoening.’