Bachs orgelwerken gespeeld door Bram Beekman

De orgelwerken van J.S. Bach gespeeld door Bram Beekman

De laatste weken luister ik veel naar de orgelwerken van Bach. Het uitgangspunt vormt de Bachserie die Bram Beekman in de jaren ’90 maakte voor het label LBCD. Ik volgde de serie vanaf de presentatie van het eerste deel in 1990 tot en met de uitgave van het negende en laatste deel in 1997.

De liefde voor de Bach van Bram Beekman ging ongeveer gelijk op met een vriendschap die ik had met een jongen uit Zeeland. Hij hield van orgelmuziek, speelde zelf orgel. Ik nog niet. Via hem en Bram Beekman ontdekte ik de kracht van deze muziek. Vooral Bachs composities voor orgel troffen me. Het was een ongekende beleving, die elk nieuw deel van de serie tot een heus avontuur maakte. Veel werken kende ik niet. Andere had ik nooit in een dergelijke uitvoering gehoord.

Veel te duur
De allereerste cd kocht ik nog niet. Mijn ouders vonden het veel te duur om 69,95 gulden neer te tellen voor een dubbelcd. Toen ik hem later bij die vriend in Goes hoorde, werd ik getroffen door de helderheid van de opname en de frisheid van de uitvoering. Zeker toen daar later het tweede deel bij kwam, die vrijwel direct bij aankomst op een bandje werd gezet.

Die nacht luisterde ik in de studeerkamer van zijn vader waar mijn opklapbed stond, gespannen naar de muziek. Wat een betovering. Vooral de uitvoering van het Concerto in C, BWV 594, naar Vivaldi’s Concerto in D ‘Grosso Mogul’ maakte grote indruk op mij. De solo in het laatste deel, het allegro, brengt me nog altijd terug naar die nacht. Waarbij ik half wegdommelde, maar telkens weer gegrepen werd door de hoge uithalen van de woudfluit van het Zwolse orgel.

Ik moest die cd’s hebben en ik ging over tot de koop van de eerste 2 delen. Het geld dat ik verdiende met mijn krantenwijk ging direct naar Lindenberg. Daarna volgde elk deel vrij kort na publicatie. Ik bezocht dan de firma Lindenberg in Rotterdam, luisterde aandachtig de nieuwe cd en was direct overtuigd van de prachtige orgelmuziek van Bach.

Orgelles
In die tijd kreeg ik ook orgelles op het orgel in de Salvatorkerk van Veenendaal. De organist Jan van Laar leerde mij de fijne kneepjes van het orgelspel en vooral dat ik moest luisteren. De combinatie van deze lessen met de cd’s van Bram Beekman brachten mij in een wereld die ik weliswaar van huis uit kende, maar die ik nu bewust leerde kennen.

Een maand of 2 terug pakte ik het derde deel van de serie om eens goed naar het Preludium en fuga in E, BWV 566 te luisteren. Ik hoorde een andere uitvoering op cd, maar mijn referentie ging naar Bram Beekman op het Hinsz-orgel in Kampen. Vooral de heldere eerste fuga, met de Octaaf 2′ van het rugwerk, stond mij erg bij. Ik beluisterde de uitvoering en besloot weer eens naar andere delen uit de serie te luisteren.

Vooral bij het negende deel van de serie dat ergens in 1997 verscheen, was mijn aandacht voor de uitvoeringen van Bach enigszins verslapt. Ik kocht dat deel alleen maar omdat ik de rest van de serie ook had. Dat was ook wel het geval bij de delen 7 en 8. Was het tot het zesde deel altijd weer die spanning geweest, bij de 8 kleintjes in deel 7 begon het mij te ergeren. Bram Beekman voerde de preludia en fuga’s steevast in plenum uit. Een enkel tongwerk gebruikte hij als ondersteuning.

Ruimtelijk effect
Ook waren de opnames van Van der Waal altijd ver van het orgel af genomen, waardoor de ruimte veel te veel effect kreeg. De directere opname waarbij je veel meer de afzonderlijke registers hoort, bleef beperkt tot het eerste deel in de Groningse Der Aa-kerk. Bovendien was veel van het boeiende repertoire weggevallen.

De grote orgelmis vormde het absolute hoogtepunt. Alleen viel de keuze voor het orgel van de Nieuwe kerk in Amsterdam enigszins ongelukkig. Het Schonat/Van Hagerbeer/Duyschot-orgel uit 1655 is zeker geschikt voor de muziek van Bach, maar de Klavierübung III vraagt wel veel van toehoorder en orgel. Bij het laatste deel van Beekmans serie in Alkmaar waren bijna alle grote werken op. Alleen de Fantasie en fuga in g, BWV 542 was nog over samen met het Preludium en fuga in G, BWV 541.

Originaliteit
En dan de uitvoeringen zelf. Het blijft dezelfde uitvoerder en daarmee verdwijnt ook een gedeelte van de originaliteit. Het lukt maar weinige organisten om een hele cd-serie verrassend uit de hoek te komen. Maar bij een werk als de Toccata en fuga in F, BWV 540 stelde het mij teleur dat hij niet alles eruit kon halen. Iemand als Marie-Claire Alain komt op hetzelfde orgel werkelijk overtuigend over. Bram Beekman blijft een beetje hangen in de middenmoot. Prachtig bij een concert, maar een cd-opname vraagt toch wat anders.

Ik heb de hele serie, zonder het eerste deel, nog eens goed beluisterd de laatste weken. De ideeën die ik in mijn hoofd had ontwikkeld, moest ik zeker bijstellen. Zo werd ik dit keer echt getroffen door de mooie uitvoering van het Orgel-Büchlein op het orgel in Vollenhove. Hij weet ieder koraal treffend neer te zetten in eveneens treffende registraties. Hierbij hanteert hij mooie tempi en houdt hij de compositie kaal door het gebruik van weinig trillers en andere verfraaiiing.

Bekendere werken
Ook de delen in Maassluis – deel 8 – en Alkmaar – deel 9 – zijn goed neergezet. Misschien zou ik wensen dat hij vooral in Maassluis wat bekendere werken ten gehore had gebracht. Vooral het openingswerk, Preludium en fuga in c, BWV 549, staat als een huis. De mixturen van het orgel komen hierin heel goed tot hun recht. Ook bij Die Kunst der Fuge speelt Bram Beekman met veel afwisseling. Het Garrelsorgel uit 1732 is duidelijk een instrument waar Beekman goed mee uit de voeten kan.

Net zoiets als het orgel in Den Bosch waar Beekman de orgelkoralen uit de Neumeister-Sammlung speelt. De werken die in het Bachjaar 1985 (her)ontdekt werden, komen heel sterk tot uitdrukking op het orgel. Hoe de bourdon 8′ van het rugwerk je echt vastklampt in een compositie als Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen, BWV 1093. Of het Ehre sei dir Christe, der du leidest Not, BWV 1087.

De beste
De uitvoering van het Preludium en fuga in A, BWV 536, reken ik tot de beste. De eenvoud en doorzichtigheid staat centraal in deze uitvoering. De fuga uitgevoerd op Prestant 8′ en Octaaf 4′ van hoofdwerk en rugwerk, maken het tot een poëtisch en ingetogen werk bij Beekman. En ook het Pièce d’Orgue zet Bram Beekman zeer treffend neer op het Bossche orgel. Zo wist hij mij na meer dan 15 jaar weer te boeien. Hij wist zelfs weer die momenten op te roepen van weleer, waarbij ik meegenomen werd in de wereld van componist en orgel.

Het eerste deel is ruim 20 jaar geleden opgenomen. Het laatste 15 jaar terug. Zeker, uitvoeringen als van Ton Koopman en Wim van Beek blinken op een andere manier uit. Vooral de laatste deelt in zijn versie van Bach rake klappen uit. Dat neemt niet weg dat Bram Beekmans Bachwerken zeker de moeite van het beluisteren waard zijn. Dan betrap ik mijzelf erop dat ze voor mij een referentiepunt in Bach-uitvoeringen vormen.

Op de sofa

De meest beroemde sofa is de sofa van Freud

De hele familie zit op de blauwe sofa in de kringloopwinkel van Naarden. Ik wil graag een sofa voor op mijn studeerkamer. Lekker half liggen en hangen, muziekje erbij en dan een goed boek lezen. Iets waar ik veel behoefte aan heb om mij even te onttrekken van alle hectiek.

De naam van de kringloopwinkel is hetzelfde als die in Almere staat. Alleen is het hier een stuk gezelliger. Zeker ook sinds er een klein restaurantje zit voor de versnaperingen. Zo zitten we net op de bank, die het midden houdt tussen een bank en een sofa. In die korte tijd hebben we al flink wat blikken en commentaar van het publiek gekregen.

De joligste is een medewerker van de winkel zelf. Hij zag mij al Doris van de sofa afsturen om hem even op te tillen. Ik wilde weten of ik het ding in mijn eentje de 2 trappen op te tillen. ‘Die weegt zwaar he?’, zei hij. Ik knikte. ‘Als je hem door ons laat brengen, kunnen wij hem wel de trappen op sjouwen. Het kost wel 6 euro per trap.’

Hij is er gespierd genoeg voor. Nu we met z’n drieën onze intrek op de bank hebben genomen, vind hij het ook interessant erover te beginnen. Het ding houdt het midden tussen en bank en een sofa. Hij zit geweldig lekker. Echte vering zit erin tussen het schuimrubber, meent de medewerker.

‘Meneer u neemt hem. Ik zie het aan u’, zegt hij nu. Ik weet niet zo goed raad met dit soort opmerkingen en probeer de afleidingsmanoeuvre in te zetten. ‘Hij is een verkoper’, zeg ik tegen Inge. Ze hangt wat naar achteren tegen de lage leuning aan. ‘Je kunt hem ook als bed gebruiken voor als we ruzie hebben.’

Gelukkig speelt de krachtpatser van deze kringloopwinkel hier niet op in. Hij gaat uit een ander vaatje tappen. ‘Meneer gaat u al die boeken lezen?’ vraagt hij mij. Hij wijst naar de stapel met boeken van Renate Rubinstein en Gerrit Komrij die ik zojuist heb aangeschaft. ‘Weet u iets van de natuur?’ Hij wacht het antwoord niet af. ‘Dat staat allemaal in die boeken meneer.’

Hij vervolgt zijn verhaal. ‘Weet u waarom een mus hipt en een spreeuw loopt?’ ‘Ik zou het niet weten’, antwoord ik hem eerlijk. ‘Dat is om vooruit te komen.’ Hij lacht en lach schaapachtig met hem mee. ‘Dat staat allemaal in die boeken meneer.’ ‘O’, zeg ik. ‘Vandaar dat ik het niet wist.’

Ik sta op. ‘We nemen hem niet’, mompel ik. Ook de rest staat op. We lopen in de richting van de uitgang. De medewerker loopt achter ons aan. ‘Mevrouw’, zegt hij. ‘Een man komt bij de dokter en zegt ik heb hier pijn, hier en hier.’ Hij prikt met zijn vinger in zijn flinke buik. ‘Zegt die dokter: ik zie het al. U mankeert iets aan uw vinger.’

We lachen allemaal uitbundig. Zo, die zit erin. Tevreden draait de medewerker zich om en loopt weg. Ik zie hoe hij een andere bezoeker aanklampt. ‘Weet u waarom een mus hipt en een spreeuw loopt?’ hoor ik hem nog zeggen.

Zwaan flirt met spiegelbeeld

Afgelopen week hing ik uit het raam om de wolkenhemel te fotograferen. Ik hoorde onder het bruggetje in de buurt van mijn huis een flink geklots. Terwijl ik een grote zwanenfamilie al een eind verder statig zag wegzwemmen onder de brug aan de andere kant. Ik vreesde een herhaling van het zwanengevecht van een paar weken geleden en holde met fototoestel in de aanslag naar de plek des onheils.

Het was inderdaad een zwaan, maar deze zwaan was niet in gevecht. Ik moest even heel goed kijken wat hier aan de hand was. Even dacht ik dat het dier verstrikt zat tussen de boten. Later dacht ik dat het wellicht aanslag van de boot af hapte. Maar dat was allemaal niet het geval. Het dier leek in gevecht te zijn met zijn spiegeling in de lak op de boot.

Nog weer even goed kijkend zag ik dat de zwaan ook niet echt in gevecht leek te zijn met zijn spiegelbeeld. Ik filmde de gebeurtenis en dat trok de aandacht van een buurtbewoner. ‘Dat doet hij de hele dag’ , zei de man stellig. ‘Ik heb hem niet anders zien doen.’  Ik keek blijkbaar verbaasd. ‘Hij mist zijn vrouwtje.’

Ik keek nog eens goed, het gebeuren leek inderdaad meer op een paringsdans. Een liefdevolle kennismaking waarbij de snavels in elkaar hapten naar liefde. Nu bleef het beperkt tot een flirt in de spiegeling van de bootlak. ‘Ja, dat is een zwaan waar heel wat mee is’, vervolgde de man. ‘Vorig jaar heeft hij nog zijn zoon doodgemaakt. Dat was daar in de hoek. Hij heeft hem zo verzopen.’

Met ongeloof in mijn blik keek ik hem aan. En verbazing. Misschien ook schrik. Vorig jaar woonde ik hier ook, maar dit familiedrama kreeg ik niet mee. Een vader die zijn zoon vermoord. Zwanen die met elkaar in de clinch liggen. Ruzie tussen clans. Een halve Godfather schuilt hier in het water van de gracht.

Nu leed een zwaan aan innig verdriet. Hij miste zijn vrouwtje en nu zocht hij haar in de spiegeling van een boot. Het kunststof van de boot tikte het ritme van zijn snavel. Het staartje van de zwaan kwispelde soms verlangend. De reactie was de reactie van een spiegelbeeld. Koud en afstandelijk. De liefde speelde meer in het brein van het dier dan in de werkelijkheid van de gracht.

Veren, jagen en hardlopen

image

Hij fietst traag voor mij uit. Ik ben aan het hardlopen en nader hem met rasse schreden. Ik zie een tas in rechtse fietstas zitten. Vlak onder de oranje flap kan ik hem zien. Uit het handvat aan zijn stuur steekt een witte veer. De veer wappert zachtjes mee op de wind. Ik loop door en haal hem langzaam maar zeker in.

Aan de voorkant van het handvat steekt een andere veer. Ook een witte. Hij is wat minder fors dan die aan de achterkant van het handvat steekt. Wat ranker en minder breed ook. Ik loop nu naast hem en zie hoe aan de andere kant van het stuur ook veren aan de handvatten wapperen. Duidelijk het resultaat van een vogelliefhebber.

De man fietst netjes in het rustige tempo en ik hol bijna naast hem. Hij heeft een snor. ‘Tomin groenvoorziening’ staat op het jasje dat hij aanheeft. Ik versnel nog iets mijn hollen en loop nu naast hem. Hij heeft er zichtbaar plezier in, kijkt mij uitdagend aan. Wacht tot ik iets ga zeggen.

Ik zeg niks. Ik kijk naar veren uit zijn handvat, de witte veren links, de grijze rechts. Mooie veren heb je, zou ik kunnen zeggen. Maar ik vind het niet origineel. Hij ziet wel dat ik het denk. Zijn ogen glijden trots langs het chroom van zijn stuur in de richting van het handvat.

Hij heeft er zichtbaar plezier in, versnelt iets en rijdt een paar meter voor mij uit. Als hij blijkbaar weer minder hard fietst, loop ik weer naast hem. Ik zie dat uit het petje dat hij draagt ook een veer steekt. De zonneklep wijst netjes naar voren, de veer steekt uit de linkerzijde van het stof. Ietsje omhoog. Zo dat je de kleuren goed kunt zien. Hij heeft alle tinten. Ik denk dat hij van een mannetjeseend is. Een woerd.

Opnieuw zwijgen we terwijl we gelijk opgaan. Hij kijkt me weer aan. De veer wijst precies zo eigenwijs opzij als de veer in de jagershoed. De eigenaar fietst net zo trots met de veer als de jager. Alsof hij de prooi zelf gevangen heeft. Ik denk aan Herman Finkers die met een metalen veer in zijn jagershoedje zingt:

Hallo, ik ben een jager,
ik jaag van vroeg tot laat.
Leen mij uw oor,
dan zing ik hoe dat gaat:
halihalohalohadelie.
Ik jaag me uit de naad.

Dan zet de versnelling in. De rust is voorbij. Een nieuwe interval treedt in. Ik sprint voor de jager uit de brug over. Hij slaat na de brug gelijk rechtsaf en rijdt in de richting van het onaffe kasteel.

Een hele dag over een zin

Ik hoorde eens over een schrijfster die een hele dag kon doen over een zin. ‘Ze kan dan een hele dag puzzelen op een zin’, vertelde de boodschapster mij. We aten in een Indisch restaurant omdat haar man daar zo van hield. Ze vertelde ook over de ex-man van de schrijfster. Die ex-man bleek ik ook te kennen. Ik kon mij niet voorstellen dat die 2 ooit met elkaar gingen. ‘Dat was ook avond aan avond ruzie’, memoreerde de vertelster.

Ik vond haar wel aardig. Haar man wat minder. Misschien te elitair. Dat zou ook kunnen. De vrouw zou een week later vertrekken naar Frankrijk. Dan kon ze in het dorpje de hele dag skieën. Door een ongeluk kon ze niet meer zo goed lopen. Op de ski’s vergat ze haar hele handicap en voelde ze zich bevrijd van de manke poot.

Ik moet er soms aan denken. Hoe een schrijfster een hele dag kan piekeren over een zin. Hoe hij moet lopen, hoe hij binnen het verhaal past. Of de overgang met de vorige zin niet te abrupt is. Of dat het misschien toch korter kan. Of dat die zin niet helemaal kan wegblijven.

Ik pieker nooit een hele dag over een te schrijven zin. Ik schrijf de zin gewoon op en dan laat ik hem zijn eigen leven leiden. Net zoiets als met bloggen. Ik moet van mijzelf elke dag een blog plaatsen. Niet altijd ben ik er trots op. Soms zitten er zelfs spelfoutjes in de blog. Soms ontbreekt zelfs een woord in een zin. Of schrijf ik schil in plaats van verschil.

Niet een zin waar je een dag over hebt nagedacht. ‘Wat kun jij snel typen’, zei gisteren iemand tegen me. Ze was naast me gaan zitten achter de computer. Een zin moest anders in een tekst. Ik had hem veranderd nog voordat de zin uitgesproken was.

Wel kan ik gekwetst raken door een zinnetje. Zo las ik laatst in een mailtje deze zin: ‘Over een paar dagen ga ik daarom jullie accounts en geschreven artikelen van de site verwijderen.’ Ik werd heel verdrietig van deze zin. Ik had al een paar keer gratis een blogje voor ze geschreven. Gewoon omdat ik het leuk vond. Ze werden volgens mij heel aardig gelezen en dan willen ze zo mijn blogjes verwijderen!

Ik mailde terug. Dat ik net een blogje voor ze wilde schrijven en daar nu wel even mee zou wachten. ‘Dat je alles van mij wilt verwijderen dat ik met pijn en moeite uit mijn pen heb geperst, vind ik uiterst brutaal’, schreef ik. Misschien niet helemaal waar, maar het zou wel waar kunnen zijn.

3 minuten later kreeg ik een reactie van de eigenaresse van de blog. Het was niet zo bedoeld en mijn artikelen zouden zeker niet verwijderd worden. Ze schreef terug: ‘Ik vind het erg vervelend dat dit niet helemaal correct is gecommuniceerd en ik hoop dat je niet afziet van bloggen voor ons hoor, dat is al helemaal niet de bedoeling!’

Ik kalmeerde. Daarna nog een keer teruggeschreven. Ik kreeg de mededeling terug dat als het beter weer was, ik een ijsje zou hebben gekregen. Ze dacht zelf aan Stracciatella. Nou daar wil ik wel een paar blogs voor uit mijn pen persen. Al ben ik niet van plan al te lang over de zinnen na te denken.

Flight of the Fat Lady

In plaats van de 2 treinstellen, rijdt vanmorgen slechts 1 dubbeldekker het station binnen. Ik moet een flink eind teruglopen. De dame die altijd in de eersteklas gaat zitten, loopt met mij op naar de ingang. Ik zoek een plekje ergens beneden in het voorste rijtuig van de dubbeldekker. De eersteklas-dame ben ik kwijt. Ze is waarschijnlijk een rijtuig verder gaan zitten.

Een vrouw die naast haar handtas zit, kijk ik indringend aan. Ze haalt het tasje dat op de plek naast haar ligt, zuchtend weg. Mensen zitten liever naast hun tas dan naast iemand anders. Ze schikt een stukje in zodat ik mij kan installeren.

Ze leest Harry Potter in het Engels, zie ik. Het boek is een beetje beduimeld zoals alle Engelse uitgaven van Harry Potter enigszins beduimeld zijn. Het schil zit hem in de kleur papier, het lettertype en de opmaak van de pagina. ‘Flight of the Fat Lady’ staat bovenin de pagina’s.

Ze slaat een bladzijde om kijkt mij woest aan. Ondertussen probeert ze haar boek aan mijn oog te onttrekken. Meelezers zijn vervelend. Het kost geen slijtage van je bladzijdes, maar het meekijken van iemand anders over je schouder is irritant.

Zo vlucht de dikke dame voor ik goed en wel de eerste regels van de bladzijde lees. Anders zou ik te weten komen wie de dikke dame is. En ik mag natuurlijk niet weten dat ’the Fat Lady’ een schilderij is. Daarvoor is Harry Potter van haar en van haar alleen.

De long tail van mijn artikelen voor Litnet

De Long tail is sinds het boek van Chris Anderson een vaak aangehaald voorbeeld als het om internetmarketing gaat. Alle producten hebben een verhouding tussen aantal producten en de voorraad. Een product dat weinig verkocht wordt, is niet interessant voor een retailer.

Daarom houden veel winkels er een beperkt assortimentop na. Ze vinden dat er een minimum aantal kopers voor moet zijn. Die weinig verkochte producten zijn daardoor nog schaarser. Zoiets zie je bijvoorbeeld als Albert Heijn de hazelnootpasta van Nutella uit zijn assortiment haalt.

De gedachte van de Long tail is dat producten die niet intessant zijn voor retailers wel hun koper kunnen vinden via internet. Zo krijg je een nichemarkt van mensen die allemaal dat unieke product zoeken. Als je het afzetgebied via internet uitbreidt dan kan dat dit nicheproduct ook winstgevend kan zijn. Daarom luidt de ondertitel van Andersons boek ook: waarom we in de toekomst meer verkopen van minder.

Zodoende heb ik gisteren mijn eigen Long tail gemaakt. Geschrokken door het voorwoord van Hafid Bouazza in zijn bundel essays Heidense vreugde, Gepeins en gezang ben ik namelijks in mijn eigen archief met gepubliceerd werk gedoken. Voor je het weet ben je je dierbare artikelen kwijt. Digitale bestanden raken makkelijk zoek, heb ik wel ontdekt. Zeker als je dikwijls van computer wisselt en je bestanden overal rondzwerven.

Zo ben ik gisteren eens begonnen met het inventariseren wat ik allemaal voor Litnet, Neerlandinet heb geschreven. Ik kom op een aardige lijst met publicaties voor Litnet. Geschreven en gepubliceerd tussen 2001 en 2011. Het zijn 125 artikelen over de Nederlandse literatuur. Niet altijd even veel artikelen per jaar, maar al met al een lijst van een artikel per maand.

Zo samenstellend en speurend in het archief van het oude Litnet, begrijp ik wat Chris Anderson met een lange staart bedoelt. De meeste artikelen worden niet zo vaak geraadpleegd. Maar als je de enorme lijst publicaties ziet, dan is het te waardevol om zomaar weg te doen. Wie weet doe ik er iemand een plezier mee.

Bovendien is het geweldig om een klant blij te maken met dat ene artikel waar hij al heel lang naar op zoek is. Krantenarchieven bieden niet altijd uitkomst en daar moet je vaak voor betalen. Veel websites gaan slordig om met hun archief, terwijl het heel waardevol is om oude artikelen te bewaren. Je kunt er dikwijls naar verwijzen in nieuwe artikelen.

Met mijn digitale artikelen spingt niet iedereen even zorgvuldig om. Zo wist ik een flinke berg blogs over supply chain van de digitale verdrinkingsdood te redden. De website was vernieuwd en de meeste artikelen werden niet overgezet. Ik was net op tijd, zo ontdekte ik al speurend via de ‘in cache’-knop van Google. Zonde omdat je met je digitale archief een grote groep mensen bedient.

Precies, het is de lange staart die internet zo waardevol maakt.

Idylle van koppeltje houtduiven in regen

De regen maakt triest. Vanuit het raam van mijn studeerkamer kijk ik al een uurtje uit op een koppeltje houtduiven. Ze wiegen rustig op en neer op de dikke tak van de boom voor het raam. De bladeren van de boom zouden ze moeten beschermen tegen de regen. Ik betwijfel of dat inderdaad zo is.

Ik kijk aandachtig hoe de 2 daar zitten. Tegen elkaar gedrukt deinen ze mee op de wind. Soms wiegt de tak vervaarlijk op en neer. Dan balanceren de grote lichamen op de tak. Ik zie hoe de staart wat naar beneden zakt. Zo herstelt het evenwicht zich snel daar op die tak op een meter of 10 boven het water van de gracht.

Als de regen wat vermindert, begint een duif zijn veren wat op te schikken. Af en toe dwarrelt een donsveertje naar beneden. De wind pakt het veertje snel op en trekt het de gracht in. De andere duif krijgt ook het idee de veren te schikken. En zo zitten ze daar met z’ n tweeën de veren te schikken.

Ik weet ook niet wat het is, maar ineens zijn ze weg. Terwijl ik opkijk van het computerscherm zie ik de 2 niet meer zitten. Een kauwtje landt op de tak die beweegt op het ritme van de wind. Het dier gaat zitten op de plek van de 2. De poten grijpen de gladde aanslag rond de tak.

Terwijl hij zo voor zich uit staart, hervat de regen weer zijn val. Inderdaad, regen maakt triest en haalt zelfs de laatste idylle uit de boom.

Kale duif

image

De duif fladderde niet op toen ik bij hem in de buurt kwam. De kop zag er gehavend uit. Een paar kale veerpennen staken omhoog uit zijn koppie. De rest was niet veel beters. Het hele lijf vormde een reeks eilanden met kale plekken. Of de zee nu op de plekken zonder veren of op de plekken met veren was, kon ik niet bedenken.

Het diertje staarde mij aan terwijl het op de rand van het bruggetje stond. Het liep een eindje van me weg om de palen van de omheining heen, keek mij weer aan en bleef daar staan.

Als op een verjaardag een stilte valt moet je altijd de volgende vraag opgooien: weet je hoe ze in Amsterdam duiven noemen? Iedereen blijft dan stil, want niemand weet het. Vliegende ratten. En dan kun je een verhaal opdissen dat duiven zelfs volgens wetenschappers vliegende ratten zijn. Deze duif was dan een kale, vliegende rat. Hij zag er in elk geval ziek genoeg uit om een vervelende ziektekiem over te brengen.

Ik dacht aan het artikel dat ik laatst gelezen had over het succesvolle Almeerse duivenproject. Bij het station is een duiventil gebouwd. Ik vroeg mij altijd af wat die duiventil daar nu moest. Het schijnt dat tamme duiven de wilde duiven lokken naar de duiventil. Ook krijgen de vogels wat eten. In ruil daarvoor worden de eitjes telkens weggehaald.

Deze vorm van duivenbestrijding schijnt te helpen de overlast te verminderen. Volgens het artikel krijgt deze methode veel navolging van andere gemeenten. Gemeenten als Gouda, Arnhem en Rotterdam zouden de ‘Almeerse aanpak’ nu ook volgen of gaan volgen.

Deze duif had er nooit van gehoord. Misschien was hij net afgerost door soortgenoten. Of was hij overspelig als hij is, van huis en haard verjaagd. Ik wist het niet. Hij was kaal genoeg voor een zielig verhaal. Misschien moest ik hem doorsturen naar de duiventil bij het station. De tamme lokduiven zag ik echter niet vliegen.

Ik vervolgde mijn rit naar huis. Je kunt niet bij elke duif stilstaan.

Mijn verhaal bij Tonio, een requiemroman

Tonio is gebaseerd op dagboekaantekeningen zoals in Engelenplaque en Hier viel van Gogh flauw staan

Het was bij de presentatie van de dagboeknotities Engelenplaque op 20 juni 2003. Meestal gingen dergelijke presentaties aan mijn neus voorbij. Maar De Arbeiderspers pakte uit met dit 250e deel uit de reeks Privé-domein. In 250 notities gaf A.F.Th. van der Heijden de lezer een kijkje in zijn dagboeken.

Een halfjaar later herhaalde Van der Heijden dit inkijkje voor zijn eigen uitgever Querido met fragmenten uit zijn dagboek over Frankrijk: Hier viel van Gogh flauw. Het thema van de boekenweek in 2004 was namelijk Frankrijk. Beter kon natuurlijk niet.

De presentatie in de tuin bij uitgever De Arbeiderspers mocht ik bijwonen als recensent van de Zuid-Afrikaanse literatuursite Litnet. Voor dit 250e deel waren zelfs internet-recensenten uitgenodigd. Er was al flink wat tijd verstreken. De drankvoorraad op de tafels slonk aardig.  Ik mocht een collega ontmoeten die net als ik ook van ver uit de provincie gekomen was. Hij schreef ook voor een internettijdschrift. De naam van de website is me ontschoten.

De meester
Ik wilde al naar huis gaan toen eindelijk de meester binnenkwam. Ik voelde hoe ik in het niet viel bij grote recensenten. De zuurpruim Arjan Peters liep er rond en kreeg zelfs alle aandacht van de schrijver. Aan mij liep de maestro voorbij. Hij gunde me zelfs geen oogopslag.

En dat was heel terecht. Van der Heijden leefde op het toppunt van zijn roem. In 1996 was na jaren wachten eindelijk het derde deel van zijn Tandeloze tijd verschenen. Het derde deel dat zich splitste in 2 delen, namelijk Het Hof van Barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras. Veel roem kreeg hij voor beide delen in de vorm van prijzen als de Gouden uil en de Generale Bank Literatuurprijs. Iets meer dan een maand voor de verschijning van Engelenplaque had Van der Heijden grote indruk gemaakt met het nulde deel (deel 0) van Homo duplex: De Movo Tapes. Heel de wereld straalde Van der Heijden.

En ik moest ook zeggen dat hij met zijn binnenkomst de ruimte vulde. Alsof we op Sinterklaas hadden gewacht. Zijn vrouw Mirjam Rotenstreich en zoon Tonio volgden hem. Zijn zoon leek op hem. Hetzelfde golvende haar. De vorm van het gezicht leek sprekend op zijn vader en zijn donkere gelaat zorgde ervoor dat ik er een jongere versie van A.F.Th. van der Heijden in zag.

Geen familie
Ik hoorde duidelijk niet tot de familie. Tonio kreeg minstens zoveel aandacht als zijn vader. Hij liep wat verveeld rond. Groette schrijvers of recensenten, maar trok zich verder weinig van alles aan. Soms feliciteerde iemand hem. Hij was net jarig geweest. Ik herinner mij alleen dat hij zich verveelde en dat hij een verwende indruk op mij maakte. Soms vroeg hij iets aan zijn moeder. Ik was van zijn moeder gecharmeerd. Een mooie vrouw met een prachtige uitstraling.

De inleiding door Maarten ‘t Hart die er alleen stond omdat De Arbeiderspers toevallig zijn uitgever was en hij ook weleens had meegewerkt aan de reeks Privé-domein. ‘t Hart memoreerde aan het enige uitstapje waar hij met Van der Heijden voor zijn doen ongekend veel had gedronken. Zonder moeite sloot Van der Heijden bij dit verhaal aan en wist zich uitstekend een dronken Maarten ‘t Hart voor de geest te halen. Sterker nog: hij wist het uitermate beeldend over te brengen aan het publiek.

Van der Heijden is een geboren verteller. Dat werd mij wel duidelijk daar in die tuin van De Arbeiderspers. Hij nam het publiek gelijk mee naar het verlies van zijn vriend Jean-Paul Franssens. Een dag eerder was zijn vriend en collega-schrijver overleden. Ook dat verlies resulteerde later in een boek: Voetstampwijnen zijn tandknarswijnen: een requiem (2008).

Terugvinden in dagboeken
Was ik Van der Heijden geweest, ik had er ongetwijfeld iets over in mijn dagboeken gevonden. Ik herinner mij dat ik nog wat had opgeschreven over de bijeenkomst, maar de aantekeningen zijn weg. Ze liggen verborgen ergens in een schriftje of ze zijn via de inzameling van oud papier inmiddels verwerkt in een televisiedoos.

Ik heb vaak aan de presentatie moeten terugdenken bij het lezen van Tonio, Een requiemroman. Want wat schrijft Van der Heijden indringend over het verlies van zijn zoon Tonio (1988-2010). Het verdriet is zo beklemmend aanwezig in dit meesterwerk, dat ik het met moeite kon lezen. Inderdaad Adri van der Heijden is een geboren verteller en vertelt het aangrijpende verhaal van de dood van zijn zoon.

Lees mijn recensie op litnet.co.za: Het verhaal zonder einde