Canto Ostinato in de Dom

De minimal music leent zich erg goed voor orgel. Het repetatieve element past goed bij het statige karakter van het instrument. Bovendien klinkt het geweldig in de grote (kerkelijke) ruimtes waar orgels vaak staan. Dat weten gelukkig veel organisten. In 1979 baarde Jan Welmers erg veel opzien met zijn orgelstuk Laudate Dominum.

Jan Welmers gebruikt de minimal music van Philip Glass en Steve Reich in zijn compositie. Het resultaat sloeg in de orgelwereld in als een bom. Bert Matter, aan wie Jan Welmers de compositie opdroeg, was zo diep onder de indruk en sprak van de mooiste compositie van de twintigste eeuw. Jan Welmers heeft de minimal music als inspiratiebron gebruikt, de spanningsopbouw voldoet namelijk niet aan het uitgangspunt van de minimal music. In de minimal music is het de bedoeling om vanuit stilstand in een beweging te komen en een hoogtepunt te bereiken, waarna het weer terugkeert in de stilstand. Bij Welmers eindigt het stuk juist in de climax die boordevol spanning zit en waar hij alleen uit kan komen in een volledige ontlading.

In hetzelfde jaar was de premiere van een pianostuk voor vier piano’s: Canto Ostinato. Simeon ten Holt schreef het stuk in 1976. Dit muziekstuk kan in lengte naar believen worden ingevuld, maar gemiddeld duurt het stuk in uitvoeringen ongeveer twee uur. Met het pianostuk zette Simeon ten Holt zich internationaal op de kaart. De compositie wordt nog steeds heel vaak uitgevoerd. Het stuk keert regelmatig weer in de belangstelling terug, maar is weinig door organisten opgepikt.

Twee jaar geleden kwam er een einde aan met een bewerking van Aart Bergwerff voor orgel solo. Hij voert het stuk in ruim een uur uit op een cd waarin hij het orgel van de Lebuïnuskerk van Deventer bespeelt. Daarna speelde hij het ettelijke malen in concerten, soms zelfs met drie piano’s erbij.  Aart Bergwerff geldt als één van de minimal-organisten van Nederland. Zo heeft hij een prachtige uitvoering van Welmers’ Laudate Dominum op het orgel van de Grote kerk in Zwolle opgenomen op cd.

Aart Bergwerff is een leerling van Bert Matter, net als Toon Hagen. Toon Hagen is organist van het Schnitger-orgel in de Grote kerk van Zwolle en  improviseert en componeert regelmatig in de minimal music stijl. Vandaag speelde hij samen met Domorganist Jan Jansen in Utrecht een  bewerking van Canto Ostinato op Domorgel. Deze bewerking was vierhandig op orgel.

Ook Toon Hagen decimeerde het stuk tot een uur. Hiervoor boette de uitvoering wel aan kracht in, maar het gaf de luisteraars een goede kans om kennis te maken met het werk van Simeon ten Holt. Daarnaast overtuigde de uitvoering mij dat het werk zeer geschikt is voor orgel, zeker op zo’n groot instrument en in zo’n overweldigende ruimte.

Doordat het stuk zo snel werd uitgevoerd, mistte ik wel een deel van de betoverende werking die van het origineel uitgaat. Het stuk werd uitermate sterk geregiseerd en gaf daarmee ook een mooie demonstratie van de mogelijkheden van het Domorgel. Op sommige momenten werd ik getroffen door intieme fluiten, of de kracht van het plenum en het tutti. De bazuin van het pedaal schreeuwde dan door de ruimte. Dan viel mij op hoeveel stemmingen een orgel uit kan drukken binnen één muziekstuk.

Volgens mij behoort dat tot hét kenmerk van de minimal music.

Koppelen

In een poging al mijn sociale netwerken wat beter op elkaar aan te laten sluiten, heb ik weer wat accounts aan elkaar gekoppeld. Zo meldt mijn blog keurig aan mijn twitter als er een nieuw stukje op staat en kwekt twitter dat bericht terug naar mijn blog. Ook zie je straks op mijn hyvespagina dat er een nieuw blogje is, en dat meldt de ‘www’ ook, want die zit ook gekoppeld aan mijn twitter (vice versa).

Nu moet alles nog werken, maar ik heb goede moed.

De literator en Dan Brown

Een literator die Dan Brown leest. Dat kan niet goed gaan. Dat is het ook.

Het verhaal begint met een code en met een moord. Allebei de dingen laten je niet meer los, het hele verhaal. De moord zorgt ervoor dat je doorleest, want je wilt weten wie het gedaan heeft. Dat verhaal bestaat uit een worsteling door codes, de ene heb je nog niet gehad of de andere dient zich al aan.

Wat dan de grootste kwelling is, is dat het niet klopt. Twee mensen op de vlucht babbelen rustig over codes, geheimschriften en vruchtbaarheidsrituelen. Alsof ze bij het openhaardje zitten met een lekker glaasje wijn en een kaasje.

Dan heb ik het niet eens over het totaal onwaarschijnlijke tijdsverloop. Het verhaal speelt zich binnen 24 uur en Dan Brown heeft zich hiermee onmogelijkheden opgelegd. Het grote denkwerk van de twee hoofdpersonen kan nooit binnen dat tijdsbestek uit het brein ontspruiten, net als het politieonderzoek. Als de politie altijd zo snel en accuraat werkte, dan was elke moord binnen een dag opgelost.

Zou het nu niemand zijn opgevallen? Of is spanning het enige dat telt?

Ik vrees dat ik de enige ben die zich zo irriteerde. Een bestseller is niet een goedgeschreven boek dat goedgelezen wordt, maar eigenlijk alleen veelgelezen is.

Genieten mag blijkbaar niet bij een bestseller.

Junghuhn in Mansfeld

Even heerste de geest van Junghuhn afgelopen weekend in zijn geboorteplaats Mansfeld. Zaterdag was er ’s morgens om 9 uur de onthulling van de opgeknapte gedenksteen. Daarna liep het gezelschap naar het slot van Mansfeld om in vier lezingen kennis te maken met de veelzijdigheid van deze negentiende-eeuwse natuuronderzoeker. Op zondagmorgen werd tenslotte een kersenboom geplant als aandenken van zijn 200e geboortedag.

Mansfeld timmert op imagogebied hard aan de weg met de trots van Duitsland, Martin Luther. Luther is opgegroeid in Mansfeld en ging er naar school. Van 1484 tot 1497 woonde hij in het stadje dat in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt ligt.

Dat Franz Wilhelm Junghuhn ook een kind van Mansfeld is, weten wat minder mensen. Sowieso zijn veel minder mensen bekend met de naam van de natuuronderzoeker. Als ik iemand over mijn afstudeerscriptie vertel, moet ik de naam altijd spellen en krijg ik een hoofdschudden als bevestiging dat ze de naam echt niks zegt.

Dit weekend was er een voorzichtige toenadering tot deze Duitse natuuronderzoeker in Nederlandse dienst die het hele eiland Java letterlijk en figuurlijk in kaart heeft gebracht. Op 26 oktober was het namelijk 200 jaar geleden dat Junghuhn in Mansfeld werd geboren. De organisatie van de festiviteiten was in handen van de Heimatverein Mansfeld, een enthousiaste club mensen die hun woonplaats een warm hard toedragen.

Op zaterdagmorgen 9 uur werd in aanwezigheid van onder andere Eelco Postma van het KNAG de opgeknapte gedenksteen van Franz Wilhelm Junghuhn onthuld door de burgemeester Dietmar Sauer. Het KNAG heeft zich in 1909 (bij de 100e geboortedag) ingezet om de gedenksteen op het geboortehuis van Junghuhn te plaatsen. In 1983 is het huis afgebroken en een aantal jaren later is de gedenksteen op de lege plaats opgesteld. Het eigenaardige is dat de tekst op de gedenksteen in het Nederlands is opgesteld. Volgens de burgemeester duurde het enige jaren voor de steen haar nieuwe plek kreeg. Hij gaf hiervoor de schuld aan het DDR-bestuur van de gemeente: ‘Als Junghuhn een communist geweest was, stond de steen er binnen 14 dagen weer’, aldus Sauer.

Dietmar Sauer, kort na de onthulling van de opgeknapte gedenksteen

De tekst op de steen was de laatste jaren steeds moeilijker leesbaar geworden, waardoor een opknapbeurt geen overbodige luxe was. De belangstelling voor de onthulling van het opgefriste monument afgelopen zaterdag was heel aardig. Zeker vijftig mensen woonden het evenement bij. Voor een plaats met nog geen 9.000 zielen is dat niet niks. Ook de speciale tentoonstelling in de school waar Luther en Junghuhn leerden lezen en schrijven, trok veel belangstelling van het publiek. Initiatiefneemster Renate Sternagel uit Berlijn, gaf een korte inleiding en presenteerde ook het speciale tentoonstellingsboekje van het Goethe Instituut.

Het kasteel waar zaterdag de lezingen werden gegeven.
De onthulde gedenksteen met het slot op de achtergrond.

Daarna maakte de groep de wandeling naar het kasteel, dat op de tegenoverliggende bergrug is gebouwd. Het slot Mansfeld is het enige overgebleven kasteel van de drie kastelen die er in de tijd van Luther hebben gestaan. In de ruïnes van de andere kastelen, deed Junghuhn een zelfmoordpoging in het voorjaar van 1830. Hij was toen 21 jaar. Het verhaal gaat dat zijn vader, de arts van het mijnwerkerstadje Mansfeld, zich aankleedde bij het horen dat er iemand zichzelf had verwond om zich van het leven te beroven. Toen ze hem vertelden dat het zijn zoon was, scheen hij direct zijn laarzen weer uit te trekken. Later vond vader het nog altijd onbegrijpelijk dat zijn zoon die notabene medicijnen studeerde in Halle, zich in het achterhoofd kon schieten. ‘Daar had hij moeten schieten’, zou hij gezegd hebben, waarbij hij op zijn voorhoofd tikte.

Drie sprekers Renate Sternagel, Thilo Habel en Gerhard Aust bekijken de Kaart van Java van Junghuhn.

In het nabijgelegen kasteel hield ik mijn lezing over Junghuhns natuurfilosofie en ik betrok daarbij ook zijn reizen. Het was onderdeel van vier lezingen die de vooral de veelzijdigheid van Junghuhn lieten zien. Renate Sternagel opende met haar inleiding op het leven van Junghuhn en de relatie met Mansfeld. Junghuhn hield niet van Mansfeld en ze greep gelijk een onbekend moment uit zijn biografie aan. Het moment dat Junghuhn in november 1848 in Mansfeld zijn moeder en zus bezocht. Vier jaar eerder was zijn vader overleden. Naast Junghuhn moet ook zijn tien jaar jongere broer Karl het ouderlijk huis in Mansfeld hebben bezocht. Zijn broer werd gezocht omdat hij bij de opstandelingen hoorde van de revolutie in Wenen. ‘Eindelijk was Junghuhn niet meer het zwarte schaap van de familie’, vertelde Sternagel. ‘Hij was immers een gerenomeerd wetenschapper met heel veel materiaal dat hij de komende jaren zou gaan uitwerken.’ De broer Karl emigreerde na het bezoek aan zijn moeder en zus naar Amerika. Daar verging het hem ook niet geweldig. Hij werd tot Franz Wilhelm Junghuhns dood in 1864 financieel ondersteund door zijn broer. Kort na het bezoek van de twee Junghuhns aan Mansfeld, verkocht moeder het huis en verliet het mijnwerkersstadje.

Ik vergeleek in mijn lezing de schrijver Jan Wolkers met de natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn. Ik gebruikte hiervoor een beschrijving van Jan Wolkers van de vulkaan Tangkuban Prahu op Java. Het fragment uit de roman De Walgvogel zat vol met de stinkende geur die uit de vulkaan opstijgt en de onleefbare omstandigheden daar. Ik plaatste het fragment tegen de romantische beschrijving van Junghuhn, uit het boek Terugreis van Java naar Europa uit 1851. In deze beschrijving toont zich een meester van de observatie en de werking die dit heeft op de reiziger. Naar mijn mening behoort dit tot één van de mooiste passages uit de Nederlandse literatuur. Je voelt als lezer hier het naderende afscheid en de onzekerheid of hij zijn lievelingsvulkaan ooit zal terugzien. Ondanks het grote verschil in de twee
fragmenten, probeerde ik ook te zoeken naar de overeenkomst tussen de twee schrijvers. Junghuhn en Wolkers hadden allebei een enorme vrijheidsdrang, ontstaan vanuit het losmaken van de autoritaire vader. In zekere zin vonden ze allebei de vrijheid, de één in de natuur, de ander in de kunsten.

Worst en broodjes bij de Imbiss

In de pauze na de Imbiss stond een korte excursie naar de kerk van het kasteel op het programma. Het drieluik boven de altaar was indrukwekkend en de graven van de graven maakten het beeld compleet. Ook het koorhek, opgetrokken van het Mansfelder koper, zag er goed uit. Apart was dat het rond de reformatie werd opgeleverd. Het was bedoeld om de relieken te tonen, maar de reformatie maakte dat de plek waar de reliekenschrijn zou komen, werd omgebouwd tot preekgestoelte. Dat is nog eens creatief omgaan met veranderingen.

Het drieluik in de kerk van het slot van Mansfeld
Het koorhek in de slotkerk

Thilo Habel vertelde aan de hand van de bijzondere lithografieën in het werk van Junghuhn over de drukgeschiedenis. Zo bleek dat vanaf de publicatie van de Bataklanden in 1847 tot aan de Duitse uitgave van Java in 1857 tekeningen van aparte vellen buiten de tekst, de tekst ingezogen werden. Daarnaast plaatste Habel de ingekleurde litho’s van Junghuhn in een internationaal kader, naast tekeningen in het wetenschappelijke werk van Humboldt en tijdgenoten als Darwin en Lyell. De mooiste platen projecteerde de beamer op het scherm, waarbij de beelden van Junghuhn niet onderdoen ten opzichte van zijn tijdgenoten.

De vierde spreker, Gerhard Aust, gaf een inkijkje in de ongekende gedetailleerdheid die Junghuhn als cartholoog aan de dag legt. Zo demonstreerde hij aan de hand van Junghuhns beroemde kaart van Java uit 1855 wat voor een ongekende prestaties Junghuhn leverde ten opzichte van eerder werk van Raffles. Zelfs de latere kaartmakers lieten gaten achter. Junghuhn heeft daarmee letterlijk en figuurlijk het Aziatische eiland in kaart gebracht. Volgens Aust zijn de gegevens die Junghuhn verzamelde nog altijd bruikbaar voor vulkanologen. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkelingen van bepaalde vulkanen op Java.

De vier bijdrages toonde de veelzijdigheid die Junghuhn bezat, zo concludeerde ook de dagvoorzitter van de Heimatverein in Mansfeld, zaterdagmiddag in de blauwe zaal van het slot. De geïnteresseerde kreeg een gevarieerd beeld van de natuuronderzoeker en de lezingen gaven de nieuwsgierige zeker een hang naar meer.

De voorzitter van de Heimat Verein plant de vogelkers, de boom die 150 jaar oud kan worden.

Op zondag werd het Junghuhn-weekend afgesloten met het planten van een speciale Junghuhn-boom. Het is een vogelkers geworden, de boom van het jaar 2010 in Duitsland en daarnaast een boom die Junghuhn zo vreugdevol begroet als hij voet zet aan Europese wal bij zijn terugreis in 1848:

Hoe schoon kwamen deze boomen thans aan mijn oog voor, toen ik dezelve voor de eerste maal, na eene scheiding van 14 jaren, weder aanschouwde en hun in stilte toeriep: “zijt gegroet, gij van ouds mij bekende gedaanten, want met u vangt mijn vaderland aan!” (Terugreis, 121)

Gezicht op Mansfeld

Pierre Cuypers

Hoe heerlijk is het de literatuur even los te laten en je te storten op de negentiende eeuwse bouwkunst. Gisteren kocht ik het boekje Schoonheid als hartstocht, Pierre Cuypers (1827-1921) van Ileen Montijn. Het boek geeft een inkijk in de grootste kerkenbouwer van ons land. Naar eigen zeggen zou hij zo’n 100 godshuizen hebben neergezet, de schrijfster van het boek houdt het op zeker 80.

Ik leer ook gelijk wat dingen. Zo wist ik niet dat Goethe ook aan de oorsprong van de neogotiek staat. Montijn verwijst naar Goethes bewondering voor de majestueuze dom van Straatsburg. Hij werd getrofffen door de eenvoud, lichtheid en harmonie van de laat-middeleeuwse bouwwerken. De tijd waarin de wereld zuiver was geweest.

Cuypers’ eerste eigen ontworpen woonhuis treft mij dan weer. Tegenwoordig zit in het gebouw het Stedelijk Museum Roermond. Het woonhuis is een architectonisch hoogstandje en combineert werken met wonen. Achter het huis was Cuypers atelier gevestigd. Hier werden vooral heiligenbeelden en andere voorwerpen voor in kerken gemaakt. De kruisgang doet bijna Middeleeuws aan. Je zou vermoeden dat ook de werkstructuur daar volgens de wetten van de leerling en de meester golden.

Het hoofdstuk over restauraties geeft een inkijkje in de geschiedenis van de restauratiewoede vanaf de negentiende eeuw tot heden. De Munsterkerk in Roermond is hier een goed bewijs voor. De restauratie van Cuypers was niet onomstreden, zo haalde hij een belangrijk deel van de achttiende eeuwse veranderingen weg en wist de kerk aan te vullen met vier vierkante torens. In de jaren ’60, zeventig jaar na de veranderingen van Cuypers, wisten de restaurateurs het beter en veranderden het complete interieur naar hun vermeende inzichten. Montijn schrijft hierover, met een licht verdriet in de pen voor wat zij vervolgens verwoestten:

Negentiende-eeuwse beelden, ook al waren ze precies zo gemaakt als de middeleeuwse, werden zonder pardon weggegooid, altaren verwijderd. Schilderingen werden rigoureus van de muren gekrabd, en waar nog versleten resten van oorspronkelijk schilderwerk te vinden was, klonk gejuich: kijk! daar werden de middeleeuwen blootgelegd! Zo werd de kerk ingrijpend en onherstelbaar gezuiverd van de meeste neogotische smetten. Niemand kon in 1964 vermoeden dat twee generaties later een zorgvuldig gemaakt en gaaf bewaard neogotisch kerkinterieur van Cuypers veel grotere zeldzaamheidswaarde zou hebben, en misschien zelfs domweg mooier zou zijn gevonden, dan een mengelmoes van oude restjes en hulpeloos leeg gelaten plekken. Elke periode heeft nu eenmaal haar eigen vooroordelen, en dat geldt zeker voor haar omgang met vroegere tijden. (39)

De kleurenfoto’s die zijn opgenomen van abdij en grootseminarie Rolduc in Kerkrade tonen een kerkinterieur die zeker mooi is. Dat is verdwenen in Roermond. Net zoals de vele kerken van Cuypers waar vooral in de jaren ’60 en ’70 genadeloos de slopershamer in geslagen heeft, zoals alleen al in Amsterdam de Sint Willibrordus buiten de Veste en de Maria Magdalenakerk. De Vondelkerk bleef bewaard, na een reddingsactie. Anders had Amsterdam dit religieuze erfgoed van de bouwer van het Rijksmuseum en het Centraal Station moeten missen.

De enige treurnis die over dit mooie portret van deze bouwmeester valt is zijn strenge katholicisme. De neogotiek is een beetje het symbool voor dit rijke roomse leven geworden en dat is erg jammer, omdat zeker het werk van Cuypers zeer veel variatie, creativiteit en energie laat zien. Gelukkig vind ik hoop in het afgebeelde raam uit de Sint Urbanus in Bovenkerk. Daar is Cuypers afgebeeld geknield, de hand op het hart en de andere hand op een passer. Met een beetje moeite zie je er dan een vrijmetselaar in.

Trek die Noord/Zuidlijn gewoon door

Natuurlijk ben ik vandaag bij het hardlopen eventjes langs het IJmeer gegaan. De langgerekte dijk, met het fietspad onder. De golfjes kabbelen tegen het basaltsteen, liefdevol alsof hier nooit iets veranderen zal.

Ik kijk nog eens goed over het water heen, zie Pampus liggen. De vesting steekt nauwelijks boven het water uit. Een eilandje ligt tussen mij en de waterkant van Muiden. Ik vraag mij af wat het zou betekenen als hier allemaal huizen buitendijks gebouwd zullen worden. Op palen en met een aanlegsteiger voor het voortuintje.

Van het kabinet mag Almere uitbreiden, maar de IJmeerlijn is te duur, vinden de bewindslieden. De berekende vijf miljard is teveel. Bij de fouten uit het verleden, de Betuwelijn en de Hogesnelheidslijn, werd zoveel bezuinigd in de berekeningen, dat het na afloop alleen maar duurder kon uitvallen. Nu gebeurt dat weer. Plannen kunnen er alleen maar door als ze goedkoper worden voorgesteld dan ze zijn en achteraf mag iedereen heel hard schelden hoe dat kon gebeuren.

Ik geloof niet in een IJmeerlijn als aansluiting op de bestaande NS-lijnen. Ik zie veel meer heil in het doortrekken van de Noord/Zuidlijn, hét voorbeeld van een project dat goedkoper is voorgesteld dan het is. Het doortrekken van de lijn zou de waarde van dit project aanmerkelijk verhogen. Bovendien is zoiets een duidelijke aanvulling op de bestaande infrastructuren. Als de metro doorgetrokken wordt naar Almere-Haven, dan is de meerwaarde ongekend. De afstand tussen Almere en Amsterdam is zo minimaal. De reizigers zijn op deze manier ook uitermate snel op hun verschillende bestemmingen, binnen een halfuur, vermoed ik. Zo’n verhaal moet toch hout snijden in een argumentatie?

Ik zou de lijn ondergronds bouwen, dan wordt alles zo min mogelijk geweld aangedaan. Dan kan ik lekker blijven hardlopen, zonder te stuiten op af en aan rijdende metro’s. Want renderen zal hij zeker. Ik wacht op de berekeningen die dat aantonen.

Hoofdrekenen

Het ligt niet aan de rekenmethode, maar aan de leraar. Dat is de uitkomst van een studie waarom leerlingen zo slecht leren rekenen. Geruststellend dat de methodes en de dure boeken gebruikt mogen blijven worden. Minder geruststellend is de onkundige leraar.

Hoe komt het dat leraren zo slecht rekenen. De reden ligt volgens mij niet zozeer in het slechte onderwijs dat ze genoten hebben, maar veel meer in de training. Oefening baart kunst en dat geldt zeker voor rekenen. Het begint al heel eenvoudig: hoe vaak reken je in de praktijk nog.

Ik denk dat ik hoogstens één keer per dag met een simpele berekening te maken krijg. Bijvoorbeeld wat kost mij de maandelijkse 5 euro meer aan ziektenkostenverzekering, per jaar. Dat is niet zo moeilijk, die 60 komt vrij snel los. Moeilijker wordt het om bijvoorbeeld heel snel de gemeentebelasting, die per jaar gerekend wordt, in een maandelijks bedrag te krijgen.

De hoofdoorzaak is dat vanaf de middelbare school gebruik werd gemaakt van rekenmachines om ingewikkelde toestanden bij handelskennis, wiskunde en natuurkunde te berekenen. Geen hoofd(b)rekens meer, maar vingervlug over de toetsen. Dat betekent bijvoorbeeld voor mij dat ik al meer dan 20 jaar geen gebruik meer maak van staartdelingen. Ik verwacht persoonlijk dat ik het rekenen van een groep 8-leerling moeilijk kan evenaren. Ik doe er in elk geval langer over, gewoon omdat ik het nooit meer doe.

Dat probleem heeft de nieuwe aanwas op de pabo’s ook. Deze leerlingen hebben zo’n vijf jaar niet meer intensief gerekend uit het hoofd. Alles ging via het rekenmachientje. Het is net als met schrijven. Ik schrijf per dag gemiddeld zo’n 100 woorden op papier. Verder verlopen al die andere duizenden woorden via het toetsenbord. Waarom verwachten we dan van een basisschoolleerling dat hij netjes schrijft?

Voor de oplossing zal iets bedacht moeten worden dat de leerlingen wel rekenprincipes aanleert en de nodige logische redeneringen. De realistische rekenmethode kan daar goed bij helpen. Een andere oplossing is om het gebruik van rekenmachines op de middelbare school nog even uit te stellen, maar of het rekenonderwijs daar echt bij gebaat is, betwijfel ik. Hoe dan ook moet het onderwijs participeren op maatschappelijke ontwikkelingen en niet teveel blijven hangen in wat mensen niet meer kunnen, maar meer wijzen op de noodzaak om iets te kunnen.

Probeer het nog een keer

Een stapel treinkaartjes lag naast het toetsenbord. Een Pritt-stift stond er dreigend naast. Het vel papier dat ze over het toetsenbord had gelegd toonde een hele trits opgeplakte treinkaartjes.

De telefoon ging en ze drukte op een knopje. Ze noemde haar naam en de instelling waarvoor ze werkte. ‘Wie moet u hebben? Ja, ik zal u doorverbinden.’ Ze drukte op een knopje. ‘Wat gek nou, hij is weg. Bent u er nog.’ Ze tikte snel achter elkaar op het knopje, maar er gebeurde niks. De telefoon ging weer. Ze legde het treinkaartje in haar vrij hand neer. ‘Ja, heel gek, ik probeer het nog een keer.’ Weer drukte ze op het knopje. ‘Meneer bent u er nog?’ Weer de telefoon. ‘Ja, ik probeer het nog een keer.’ Dit keer drukte ze op de knop en lukte het doorschakelen.

Ze pakte een treinkaartje, drukte de achterkant tegen de Pritt-stift en draaide ermee heen en weer. Daarna trok ze kaartje het van de stift los en drukte het vervoersbewijs naast het ene en onder het andere kaartje. Eindelijk ging haar hoofd omhoog. De kauwgom maalde door haar mond, de ogen staarden mij dromerig aan. ‘Meneer, waar komt u voor?

Roken

Het Jip en Janneke-verhaal over de chocolade sigaretjes rokende kleuters, vormde een mooie kapstok om eens over dit onderwerp te beginnen. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Ik vertelde Doris dat roken vies is en dat het ongezond is. Daarom mag je niet roken.

Gelijk ontstond er een probleem omdat een oma tuk is op haar sigaretjes. Ik vroeg Doris wie er rookte. ‘Oma’, zei ze gelijk. ‘Ja’, bevestigde ik. ‘Maar het stinkt en het is heel ongezond.’ ‘Ja’, antwoordde Doris. Ze begreep het helemaal. ‘En je wordt er doof van.’ ‘Inderdaad’, bevestigde ik snel.