Glijbaantje

Ik schoof een bomvolle kar voor mij uit met een klein meisje als hoogtepunt van de aankoop. De hele winkel had ik met een zwabberend wiel gelopen. Ik kreeg de wagen amper vooruit. ‘O’, had de kassier gezegd, waarna hij met een scanapparaatje bij het wiel ging zwabberen. ‘Je hebt er wel niks aan, maar dat is voor de volgende klant.’ Op mijn vraag waarvoor ik dan afgestraft was, reageerde hij niet.

We liepen de winkel uit, rolden de kleine helling af naar de fiets. Ik parkeerde het winkelwagentje wat verderop. Het liep al weg als ik het meisje eruit liet. Ik moest even achter het van mij weg rijdende karretje hollen en greep de stang.

De wagen was leeg en het meisje vroeg mij of ze van het glijbaantje mocht. ‘Glijbaantje?’ vroeg ik. Ze wees wat verderop aan de andere kant van de winkel, achter de winkelwagentjes. ‘Ja, daar.’ We liepen erheen. Het was een stenen helling bestemd voor mobielen van minder mobiele mensen. De rode straatstenen, waren enigszins glad. Ze ging op haar billen zitten, wipte zich op tot de helling begon en liet zich naar beneden glijden. Ze liep over het rechte stukje en zette haar tocht voort op het onderste gedeelte van de helling.

Ik dacht aan het verhaal van Jip en Janneke. Die gleden ook van een stenen helling af en eindigden met een gat in de broek. ‘Kom, we gaan’, zei ik. ‘Anders krijg je er nog een gat van in je broek.’

Kermis


De draaimolen draait rechtop
en zwaait de schoenen rond
meisjes gillen hun angsten hoog

Kleuren kletteren omhoog en zingen
mee op de diepe dreunen
van herrieschoppers en botsauto knallen

De kermis is te klein voor plezier
de beren wachten op het verlossende
schot dat ze bij hun jager brengt

Aan de andere kant kleurt de zon
mij gedag en speelt het avondrood
een zoete serenade voor mij alleen

Spellen

Doris maakte een geluid dat ergens het meest leek op een hikkend lachje, als je kwaad wilde kon je er ook een geit of schaap in horen. Ik vroeg haar of een ander kind op school dat geluid ook maakte. ‘Ja’, zei ze, ‘Rara doet dat ook.’

De naam Rara kwam me onbekend voor en ik vroeg hoe ze heette. ‘Rara.’ ‘Rara?’ ‘Rrra Rrra’, herhaalde ze. Waarna ze het voor me spelde: ‘s, p, k, l, o… Rara.’

De oplossing kwam gisteren, het meisje heet Lara.

De walgvogel

De lezing die ik Mansfeld zal opvoeren, bevat een passage uit Wolkers’ De walgvogel. Mijn Junghuhn-vriendin Renate Sternagel buigt zich nu over de tekst om er een begrijpelijk verhaal van te maken voor het Duitse gehoor. Bovendien is zij als Duitse veel beter op de hoogte van de wetmatigheden die lezingen in het Duits vragen. De eerste vraag die ik terugkreeg, ging over De walgvogel van Wolkers. ‘Walg’ is toch ‘Ekel’ schreef ze. Ik was even vergeten dat Duitsers Jan Wolkers minder goed kennen dan een Nederlands gehoor.

De walgvogel bij Jan Wolkers heeft niet zo direct van doen met de Dodo, die bekend staat als de Walgvogel. De dodo staat meer symbool voor de houding van de Nederlanders ten opzichte van de kolonie. De hoofdpersoon vertelt over de dodo’s als zijn vriendje, de Indische Harry Sarno, een boek van hem leent:

Toen hij De Scheepsjongens van Bontekoe van me gelezen had en we het erover hadden hoe schandelijk het was dat die Hollandse zeelui al die dodo’s of walgvogels met stokken hadden doodgeslagen om op te vreten, tot ze allemaal uitgeroeid en helemaal uitgestorven waren, zei hij dat zijn vader het helemaal niet goed had gevonden dat hij zo’n boek las want dat je op iedere bladzij kon lezen dat die Hollanders nergens eerbied voor hadden. (29)

Bij het naspeuren naar een Duitse vertaling van De walgvogel zag ik dat het boek helaas niet in het Duits is vertaald. Net zo min in het Engels of Oekraïns. Turks fruit is daarentegen veel populairder en klinkt ook even herkenbaar in de vertalingen: Turkisk konfekt (Zweden), Türkische Früchte, Turkish delight, Les délices de Turquie en Turska slast (Joegoslavië). Zelfs in het Fries kunnen de oortjes rood worden bij het lezen van Turks swiet. De walgvogel heeft enkel een Zweedse vertaling met als titel Dronten.

Ik zou er bijna voor gaan pleiten dat het werk van Wolkers meer bevat dan alleen Turks fruit. Wat mij betreft is De walgvogel een toppertje. Het eerste hoofdstuk getiteld ‘Koloniale waren’ behoort tot de mooiste hoofdstukken van de Nederlandse literatuur.

Overigens weten ook veel Nederlanders de herkomst van de titel van Wolkers roman niet. Zo vond ik het volgende in het boekverslag van ene ‘Flesjewater’ op scholieren.com:

Titelverklaring: Ik kon dit nergens op internet vinden. Ik denk dat misschien de ik-persoon van zichzelf walgt, dat hij iemand heeft vermoord. Al lijkt me dat wel erg voor de handliggend.

Links
Kijk voor de vertaallijstjes op: antiqbook.info en op nlpvf.nl

Van de wereld verstoken

Afgeluisterd in de trein.

‘Nee, ik we rijden net Utrecht binnen.’

‘Het is nog geen zes uur hoor.’

‘Wintertijd. De klok is van ’t weekend een uur terug gezet. Zegt je dat niks?’

‘Heb jij geen krant of televisie opengeslagen?’

‘Ja, hilarisch. Die onthouden we.’

Daarna tegen een vriendin, die naast haar staat.
‘Kristel was dat. Ze zei dat wij nu eens een keer te laat waren. ‘Ik sta op jullie te wachten; het is al kwart over zes’, zei ze. Toen vertelde ik over de wintertijd. Nou dat had ze gemist. Die is echt van de wereld verstoken.’

Grijnzende wezens schijnen mij aan

Door het raam staren mij twee oranje wezens aan. Ze schijnen in een lichte grijns naar mij. Het zijn de uitgeholde pompoenen. Ook ik ontkom niet aan de modegril van Halloween. Tegelijkertijd geven de najaarsvruchten een vrolijke tint aan de herfst.

Zaterdag trof ik bij het hardlopen in Delden een pompoenenstalletje langs de weg. We zijn er gisteren op de terugweg naar huis langs gereden. Doris koos het kleinere model uit, wij haalden de grote jongen eruit. Het zijn zware jongens, die een plekje kregen achter mijn stoel in de auto. Daarnaast koos Inge nog een dozijn kleinere kalebassen.

Het uitbenen van de pompoenen

Thuisgekomen moest de boel worden uitgehold. De houdbaarheid van die uitgebeende gevallen schijnt een week of twee te zijn. Nadat al het vruchtvlees eruit was gehaald, volgde het creatieve proces dat Inge samen met Doris tot een heel aardig resultaat wist te brengen.

De angstaanjagende wezens in het daglicht aanschouwd
Doris bij de uitgeholde pompoenen, vlak voor zonsondergang

Hoe mooi ziet het er niet uit in het donker.

Evolutietheorie in stripvorm

Ik heb het niet zo op romans in stripvorm. Natuurlijk prijs ik tekenaars als Dick Matena voor hun prachtige werk. Ze maken boeken voor een heel andere doelgroep bereikbaar. Persoonlijk heb ik niet zoveel op met het literaire verhaal in een rij tekeningen.

Ondanks deze scepsis, nam ik afgelopen donderdag uit de bibliotheek toch de stripvorm van Charles Darwins Over het ontstaan van soorten mee. Het boek is kortgeleden verschenen bij uitgeverij Atlas en de bibliotheek heeft het natuurlijk snel in huis gehaald vanwege de enorme populariteit die Darwin momenteel geniet. De televisieserie van de VPRO waarbij de reis van de Beagle wordt overgedaan, is op dit moment een rage waar ik wekelijks aan meedoe.

Bij het schrijven van mijn lezing over Junghuhn, die ik over drie weken in Mansfeld hoop te geven, vormde het stripverhaal een welkome afleiding. De strip is getekend door Nicolle Rager Fuller, met tekst van Michael Keller. De vertaling is van Gerrit Jan Zwier.

De strip legt het boek On the Origin of Species in de context van zijn tijd en van zijn maker. Het begint met verwijzingen naar de reis met de Beagle en de persoonlijke confrontatie van Charles Darwin met zijn ideeën over het ontstaan van soorten. Daarna volgt de haast waarmee het boek uiteindelijk verschijnt onder druk van Alfred Russel Wallace die dezelfde bevindingen doet op Borneo en Malakka en de Maleise archipel.

Het boek zelf levert een helder beeld van de theorie van Darwin. Wel betreur ik dat soms moderne data worden gebruikt, zoals de verspreiding van vliegenvangers in Noord-Amerika waarbij gegevens uit 2007 worden aangehaald. Deze moderne data vertroebelen de concrete bevindingen van Darwin. Gelukkig worden sommige aannames van Darwin in een voetnoot verduidelijkt. De plaatsing in de tijd en de revolutionaire opvattingen van Darwin komen heel sterk naar voren in het aantrekkelijke verhaal.

Een tip voor iedereen die snel een beeld wil krijgen van Darwins evolutietheorie.

Kind van zijn tijd

Ik stond met hem in de Oude kerk. We keken naar het orgel dat daar zo monumentaal stond, alsof het zo altijd al stond. De punten van het rugwerk wezen als twee eigenwijze wijsvingers in de richting van de preekstoel. En de welvingen van de middentorens leken bolle wangen die de muziek wel even de kerk in zouden blazen. Alsof het hele instrument met zijn schoonheid een tong uitstak naar de gemeente, terwijl iedereen er met zijn rug naar zit.

‘Is dit nu je magnum opus?’ vroeg ik hem. Hij droeg hetzelfde ringbaardje als weleer. De jaren hadden het grijzer gemaakt, maar de blik was onveranderd gebleven. Ik zag hem weer met dat kleine leren tasje in de hand binnenkomen. We waren veel te vroeg voor de middagdienst, er was nauwelijks iemand. Daar ging hij en hij passeerde de pilaar buitenom. De kortste weg was hem niet lang genoeg. Het kwam ook door de luxestoel voor mevrouw, die daar als een koninginnezetel de weg aan de binnenkant van de pilaar versperde.

Dan volgde het wachten op de beroemde tien minuten, als de klokken uitgeluid waren en de mensenmassa langzaam naar binnen stroomde. Hij leunde dan tegen de hoofdwerkkas aan en keek hoe de kerk zich vulde. Hoe de drukke mieren hun plekje vonden. De tijd schoof vooruit en dan mocht hij spelen. De kerk vervulde zich van een preek die zijn weerga niet kende. Hoe ouder ik werd, hoe nijpender de situatie en hoe meer donder en bliksem van boven klonk.

Ik keek hem nu weer aan en zag hoe vereerd hij zich voelde voor mijn compliment. Er zijn weinig mensen die ver voor hun dertigste zo’n kunstwerk afleveren, maar snel won zijn bescheidenheid het. ‘Nou, magnum opus. Magnum opus is wel een groot woord. Nu 35 jaar later moet ik concluderen dat ik het nu allemaal anders zou doen. Zo vind ik het raar dat we toen niet het hele instrument uit de Rotterdamse Wilhelminakerk hebben overgenomen. Nu is een groot deel van het pijpwerk daar vandaan, maar de rest is allemaal verdwenen.’

Het pijpwerk uit de Rotterdamse Wilhelminakerk van de bouwer Steenkuyl (1900) was een unieke kans om een bijzonder instrument te behouden. Het kwam in 1974 terecht in het orgel van de Oude kerk in Veenendaal. De kast, de windladen, de complete techniek en mechaniek werden nieuw gebouwd door de Enschedese bouwer Vierdag. Van de 21 stemmen zijn 17 afkomstig uit Rotterdam. Het orgel van de Wilhelminakerk was in die tijd erg beroemd vanwege de concerten die Feike Asma op het orgel gaf. Veenendaal kreeg in 1974 de kans het orgel over te nemen. Wel kreeg het nieuwe instrument een dispositie die wat meer aansloot bij zijn tijd, de neobarok. Al moet ik eerlijk zeggen dat de uitwerking op z’n zachtst gezegd zeer verrassend is. Het instrument doet helemaal niet modern en neobarok aan. Ik geef de schuld hiervan altijd aan het pijpwerk. Maar Rotterdammers onder elkaar komen altijd voor elkaar op.

‘Zo is het natuurlijk best vreemd dat we toen de oude kast van het voormalige Dekker-orgel gewoon in mootjes hebben gehakt. Het is in de open haard beland. Dat zouden we nu niet meer zo doen. De kast van het Dekker-orgel kwam uit een Duitse catalogus en zag er helemaal niet onaardig uit.’ Ik onderbrak hem. ‘Dus ook dit orgel is een kind van zijn tijd.’ ‘Ook dit orgel is een kind van zijn tijd’, bevestigde hij. Ik trok alles door. ‘Uiteindelijk zijn we allemaal kinderen van onze tijd. Wat we nu doen verwerpen onze nakomelingen over dertig jaar ook. En zo gaat het door.’ Ik vond ook dat het eindeloze ge-historiseer van nu over een halve eeuw misschien ook wel meewarig aangekeken wordt. Dat was hij niet met me eens. ‘Als ik bijvoorbeeld zie wat ze allemaal uit het instrument in Alkmaar aan kennis hebben opgedaan. Die kennis hadden we dertig jaar geleden niet.’

De ontmoeting met het orgel van de Oude kerk heeft me wel iets nieuws geleerd. Zo vraag ik mij af waarom bijvoorbeeld alleen al in Rotterdam alles van het begin van de twintigste eeuw in de jaren ’60 en ’70 zo genadeloos slachtoffer is geworden van de sloophamer: de Koninginnekerk, de Nieuwe Zuiderkerk en de Wilhelminakerk. Stuk voor stuk prachtige godshuizen die er allemaal niet meer zijn. De schuld werd toen gegeven aan de ontkerkelijking, maar dat is meer een aanleiding dan een oorzaak. Ik denk namelijk dat de kerkgebouwen de notabelen en kerkvoogden niet goed uitkwam. Duur in onderhoud, moeilijk te verwarmen. Nee, ze kozen liever voor de moderne bouw. Die lelijke bouw, die wat mij betreft direct gesloopt mag worden.

En als je denkt dat er alleen in de jaren ’70 gesloopt werd. Ruim vijf jaar geleden moest de Almelose Egbertus dicht, een gebouw uit de jaren ’20. Het moest plaatsmaken voor nieuwbouw die nog geen 300 meter verder verrees. Zonde, want al zou er een archief in komen, het gebouw staat nog altijd leeg. De tand des tijds slaat toe en er gebeurt niks. Het wachten is tot de koepel instort en de kerk afgebroken kan worden.

Bekijk de dispositie van de Oude kerk >>

Leve de oude leraar

Oude mensen zijn vervelend. Dat is de algemene tendens in onze maatschappij. Daarom proberen we ons zo jong mogelijk voor te doen. Hoe ouder iemand wordt, hoe meer hij de ouderdom probeert te camoufleren.

Het artikel van leraar en publicist Ton van Haperen in de NRC Next van vanmorgen volgt deze opvatting exact. De leraar moet op zijn zestigste ophouden met lesgeven, want de kloof tussen leerling en leraar wordt te groot. Kanonnenvoer is een bejaarde leraar volgens Van Haperen. Een marteling voor de kinderen.

Onzin zijn dergelijke opvattingen natuurlijk. Een leraar moet zeker inlevingsvermogen hebben en verstand hebben hoe een kind informatie tot zich neemt. Natuurlijk heb ik ook angstige beelden op het netvlies van de cynische leraar die al 35 jaar voor de klas staat. De leraar die het al jaren zo doet en weigert zijn les aan te passen. Deze koppigheid heeft naar mijn oordeel niks met ouderdom te maken maar met luiheid.

Ton van Haperen zou eens goed om zich heen moeten kijken. De bewondering die sommige jongeren voor ouderen hebben. Ik zat een tijdje in de trein waarbij een hoogbejaarde vrouw aan een jongere vertelde dat ze angstig was voor stilstaande treinen. Het was op de dag dat de trein niet wegreed uit Utrecht. De angst had te maken met een aanval van Engelse vliegtuigen op een trein die ergens in een weiland stilstond. De jongen luisterde met ontzag en heel veel respect.

Levenservaring is zo belangrijk om in de les te voegen. Hoe ouder de leermeester hoe beter. De echte docent doet dit met respect voor de leerling en biedt hem alles in hapklare porties, soms net ietsje meer waardoor de leerling wordt uitgedaagd.

Waarschijnlijk is Ton van Haperen alleen opgegroeid met cynische oude mannetjes. Maar ik zou sommige bejaarde leraren die mij veel wijsheid hebben bijgebracht, voor geen goud hebben willen missen.

LinkedIn en het gevaar

De bedreigingen van LinkedIn. In een artikel op Computable wordt gesuggereerd dat kostbare bedrijfsinformatie makkelijk kan weglekken via LinkedIn. Het is een artikel dat geschreven is op basis van een lezing op een beveiligingsconferentie van RSA in Londen.

De voorbeelden die worden geschreven vragen wel een verregaande vorm van research. Als verschillende managers binnen een bedrijf vriendschappen sluiten met andere managers van een ander bedrijf, dan zou een overname van het bedrijf niet lang meer op zich laten wachten.

Een beetje ver gezocht en het vraagt ook flink wat research. Je moet op z’n minst enkele managers binnen een bedrijf als LinkedIn-vriend hebben. Dan denk ik dat een aankomende overname met zulke innige contacten ook op andere manieren tot je kan komen.

Op een beveiligingsconferentie wordt gepraat over risico’s. De risico’s die geschetst worden zijn risico’s, maar hoe groot zijn die risico’s? Een veel groter gevaar is het stelen van iemands account en daar dan mee vandoor gaan. Het is niet alleen een groter gevaar, de gevolgen voor iemand persoonlijk zijn nauwelijks te overzien.

De opkomst en groei van de sociale media zal dit soort criminaliteit explosief doen toenemen. Je ziet bijvoorbeeld hoe makkelijk sommige idioten de identiteit van een bekende Nederlander aannemen. Is de Paul de Leeuw die twittert wel echt Paul de Leeuw. Of de Gerrit Komrij die in het Duits allerlei dingen aanprijst, wel de echte?

Dat is een veel groter risico, waar je jezelf niet goed genoeg voor kunt beveiligen. Uitsluiten lukt nooit, een noodscenario in de kast kan nooit kwaad.