Blauwe fietstassen

Al een tijdje verloor ik op mijn fietsritten dingen uit de fietstas. Ik hoorde dan een zachte plof als ik over een hobbeltje reed. Dan stopte ik, keek om en zag een bundeltje in elkaar gewikkelde plastic tassen liggen of mijn regenbroek. Een keer lag zelfs mijn zware hangslot vlak na de hobbel bij een bruggetje.

Dat kon niet zo langer, dat wist ik ook wel. Ik vervoerde de laatste tijd de boodschappen niet meer in mijn aftandse fietstassen uit vrees dat ik kapotte eieren op het fietspad zou zien liggen. Die zouden niet meer op te rapen zijn en dan verloor mijn zuinigheid het echt van de gierigheid.

Nadat ik van de Lidl huiswaarts keerde met een loodzware turkentas achterop en een heggenschaar geklemd tussen mijn benen, wist ik het. De doos met eieren hing vervaarlijk scheef in de tas en had er ieder moment uit kunnen donderen. Ook de schaar tussen de benen was niet ideaal om er ook bij te trappen. Dus, hij moest er maar komen: de nieuwe fietstas.

Inge had gehoord dat er op de markt wel een goedkoop mannetje stond en zo ging ik vanmiddag met Doris eventjes de markt over. We vonden hem snel, zoveel fietsen en fietstassen, dat kon niet missen. Ik verkeerde even in dubio om toch niet de goedkopere katoenen zou nemen, maar de felblauwe waren wel drie keer zo groot, of zoals de marktkoopman aanbeval: ’66 liter tassen’.
Hij had alleen blauwe en het waren de laatste. ‘Ik had er vijf meegenomen’, vertelde de marktkoopman erbij. Toen ik thuis kwam en de tassen liet zien aan Inge, werd ze stinkend jaloers. ‘Die wil ik ook’, riep ze uit toen ik de tassen op mijn achterrrekje monteerde. Eerst verkeerd om, maar dat hoort bij nieuwe tassen. De reflexiestrepen horen achter, ontdekten we.

Wel een beetje een vlag op een modderschuit, de nieuwe fietstassen, maar alles past er in. Niet alleen de bundeltjes plastic tassen, het kettingslot en de regenbroek. Zes broden passen er makkelijk bij, net als een flinke trits pakken melk, potten chocoladepasta en colaflessen. En ik ben er hartstikke trots op, want magneetjes in de flappen zorgen ervoor dat ze niet kunnen inregen en ze hebben een heel stevige bodem. Kortom, ik kan weer over een hobbeltje rijden met een doos eieren zonder dat er iets gebeurt. Ik hoef er zelfs niet meer bang voor te zijn.

Losse zinnen

Gewoon wat losse zinnen en gedachten die ik vandaag in de trein of op het perron hoorde of dacht.

1
Man met vouwfietsje uitgeklapt op het perron, praat tegen een echtpaar. Ik dacht eerst over zijn vakantie, maar het bleek over de liefde te gaan. ‘Op school met aardrijkskunde was het zo makkelijk. Dat begreep ik wel, dat van die bloemetjes en bijtjes en zo.’

2
‘Ik dacht dan bel ik wel met Irma en Ernst, dan ga ik daar wel naar toe.’

3
Iemand heeft het over een ‘vrijstaande moeder’.

4
In de trein leest een jongeman een gloednieuw exemplaar van Michiel Smits De prooi, over de verkoop van ABN Amro. Dat boek was zonder de kredietcrisis nooit de bestseller geweest die het nu is. De één z’n dood is de ander z’n brood, luidt het spreekwoord.

De regen ritselt

De schemering slaat tegen het raam van de trein. De regen ritselt als een snoeppapiertje tegen hetzelfde raam. Het licht in de trein verandert in gezelligheid. Het knooppunt bij Weesp passeren we.

Ik lees mijn boek en hoor iemand telefoneren. ‘Wat zeg je?’ maar de woorden dringen niet tot mij door. Zo lekker kan lezen zijn, als de regen maar ritselt en de schemering maar slaat. Zo sterk zelfs dat ik maar net op tijd mijn boek dichtsla, de tas pak en de trein verlaat.

Vliegangst

Las net vanmorgen in de NRC.Next over de gevaren van vliegen. Behalve neerstorten kun je allerlei enge ziektes oplopen. Als je het benauwd hebt, kun je een zware reis krijgen. De cabinedruk komt namelijk overeen met de druk als je op een 2.000 meter hoge berg staat. Oppassen voor longpatiënten dus, want die kunnen adem tekort komen.

Hoe groot was de kans dat je in het Turkse vliegtuig zag en net dat artikel las, toen… Heel klein denk ik, maar nu lijkt het net of NRC.Next een ramp heeft veroorzaakt door een artikel.

De muts en de neus

Ineens leek het langer licht te zijn. De zon scheen intenser en het leek zelfs warmer te zijn. De twee mannen zaten tegenover elkaar. De ene droeg een Turkenmuts en droeg een stoppelbaardje van twee dagen. De andere keek indringend en had een neus die in een scherpe punt vooruit wees. ‘Wil je vooruit of achteruit’, gebaarde de man met de muts. Ik was allang blij een leeg plekje te hebben gevonden en ging direct naast hem zitten.

‘Joost zit de hele dag naar het zwarte Hyvesscherm te kijken’, zei de puntneus. ‘Als je eraan komt, klikt hij direct iets weg. Je ziet ook altijd een klein icoontje van het bureaublad staan.’ De muts knikte bevestigend, maar wilde alweer verder. ‘Hoe gaat dat dan met die installatie?’ ‘Nou je moet eerst de user-id veilig stellen en daarna een back-up maken.’ ‘Ik heb een back-up gemaakt’, gebaarde hij. ‘Ik wil je het wel leren’, zei de puntneus.
‘Ja, ik ben een type die wil samenwerken en zo.’
‘John vroeg mij laatst welke comsat-versie we hebben. Ik zei, dat weet ik niet, ik geloof .25, een e-bone. Kijk, dat communiceert wat. John communiceert niet. Hij doet maar wat en vertelt verder niks.’
‘Toch weet hij precies wat Fred wil horen.’
‘Ja, hij weet precies wat Fred wil horen.’
‘Die Chris Bakker is een vrolijke jongen. Bij hem is het elke dag feest. Het is een baldadige kerel. Hij weet wel van aanpakken, maar gaat dan iets te snel.’
‘Ik heb laatst een mailtje gestuurd naar Joost, ge-cc’t naar Fred, maar ik heb er niks meer van gehoord.’
‘Joost vroeg mij laatst hoe het moest. Dus ik heb hem uitgelegd, maak een documentje met inleiding, voor- en nadelen en geef dan een conclusie. Kijk zo pas je de issues toe. We hebben nog nooit issues gehad, vond Fred. Ik heb hem toen proberen uit te leggen dat we op productiesystemen jobs hebben die met olie worden bespoten. Dat doe je ’s morgens en dan ga je ’s avonds de comsat-command installeren.’

De deuren van de trein sloten weer bij het station waar het net gestopt was. ‘17.26 uur’, zei de muts. ‘Keurig op tijd.’ ‘Bij Altas werkten we altijd met van die documentjes. Fred is toen weggegaan bij Atlas, maar hij heeft zich er nooit mee bemoeid.’ ‘Joost, is zo’n zelfde figuur als Gert-Jan’, antwoordde de muts. ‘Dus ik ben heel benieuwd wat hij levert.’ ‘Nooit niks’, reageerde de neus. ‘Hij kijkt me altijd heel argwanend aan.’ ‘Dat komt omdat hij er niks van weet en jij het wilt leren’, viel de neus hem bij. ‘Toen sinds Atlas was hij enorm veranderd, hij begon echt goede eigenschappen te ontwikkelen. Maar laatst liet hij het mij zelf uitzoeken. Ik zei tegen Fred dat hij echt even moet vertellen wat ik moet doen. Als ik zelf iets bedenk, dan word ik toch teruggefloten door jou. Het komt gewoon door hem. Je kan nooit iets goed doen bij hem.’

We naderden Almere, de neus wilde opstaan. Hij zuchtte. ‘Het wordt tijd te verhuizen’, zei de muts. ‘Nee, het is niet de goede tijd om te verhuizen. Eerst maar eens twee, drie jaar kijken wat de economie doet.’ Een andere man zei zijn medereiziger gedag met ’tot donderdag’. ‘Hé’, riep de muts. ‘Dat is mijn tekst.’ ‘Werk je morgen niet?’ vroeg de neus. ‘Nee, ik ben vrij morgen.’ ‘Nou tot donderdag dan’, zei de neus en hij liep het smalle gangpad door.

Half perron

Een raar beeld was het dat vanmorgen het perron van het station van Houten half afgebroken was. Bij mijn komst voor de terugreis was het perron nog verder gesloopt. De rails verdwenen en een trap hing in de lucht. Leuk gezicht, zo’n trap zonder doel.
Het contrast met het nieuwe perron en de noodtrap is niet groot. Tussen afbraak en opbouw is weinig verschil.

Kate Winslet bij vishandel Bal

Hij waggelde binnen, achter zijn ronde buik aan. Om zijn nek hing een sjaal, zwart geworden van zweet en ettelijke keren op de grond vallen. De jas viel open en een rood bloesje omspande de forse buik. Hij liet zijn armen op de toonbank rusten en hing wat naar voren. ‘Kate Winslet, Kate Winslet’, riep hij in de richting van het meisje dat met de rug naar hem toe stond. Ze liet een visje in bak met deeg glijden, klopte het zachtjes uit met zachte plofjes tegen de rand van de emmer, trok het omhoog en liet het traag het frituurvet in zakken. Ze negeerde hem, maar haar ogen keken hem aan met een groot vraagteken vanuit de rug.

Naast mij stond een vrouw met een bril, de haren kortgeknipt. Ze keek meewarig in de richting waarna ze haar positie voorzichtig verschoof naar mijn andere kant. Ik zag nu grijze plukjes haar schieten uit de donkere haren. Ze schoten net zo heel ver naar buiten. Hierdoor viel zijn ongeschoren gezicht misschien wat beter op. De ogen keken lodderig naar buiten en staarden nog altijd naar de rug van het meisje. ‘Kate Winslet, Kate Winslet’, herhaalde hij.

Iedereen werd een beetje onrustig van het onverwachte bezoek. Een man stond op van het tafeltje waaraan hij zijn gebakken visje had opgepeuzeld en liep naar de vuilnisbak waarin hij zijn lege bakje wierp. Hij gaf mij een knipoog, om het vreemde gedrag van de man te bevestigen. Het paste ook niet bij de sjieke uitstraling die deze viswinkel had gekregen. Ik kende Bal als een kraam waarvoor altijd rijen mensen stonden. Nu was het iets van een visboetiek gevonden. ‘Visje eten met collega’s in de pauze?’ stond achter het meisje dat het lekkerbekje in het vet had laten glijden. ‘Bel Bal’.

De man werd ongeduldig, zoals het hoort bij dronkaards. Een flinke boshaar puilde uit de hals die ontstaan was doordat het bovenste knoopje van het rode bloes niet dicht was. Hij begon wat meer te joelen en de jongen achter de hippe toonbank, kon hem niet meer negeren. Hij keek ernstig wat hij wilde. ‘Een broodje Winslet, een broodje Winslet’, riep de man. Hij antwoordde met een blik dat hij het niet begreep. De man keek hem eveneens onbegrijpend aan. ‘Een broodje Winslet verkopen we niet.’ De man gebaarde naar de haringen die keurig in het gelid lagen, zoals dat bij een visboetiek als deze hoort. ‘Ik bedoel een broodje haring, met veel uitjes en groentes. We moeten ook aan de gezondheid denken.’ Hij aaide over zijn buik zonder dat hij het in de gaten had.

Een vrouw met een felblauwe jas stapte ondertussen de winkel in. Ze droeg een band om haar nek die erg aan de reddingsband van een schip deed denken. Haar blonde haren vielen volgens de laatste mode naar beneden en ze ging tussen mij en de Kate Winslet aanbidder staan. ‘Hé jongedame’, probeerde hij charmant uit te stoten. ‘Jij lijkt op iemand die ik ken’, vervolgde hij. Het oude versiertrucje leek te werken, want ze reageerde met een vragende blik. ‘Annie, Annie bij mij uit de buurt. Daar lijk je op. Ken je haar?’ Ze was beleefd tegen hem en gaf aan geen Annie te kennen. ‘Misschien is het een dubbelganger.’ ‘Ken je haar niet?’ vroeg hij opnieuw, alsof het zou helpen dat de dame met de blauwe jas Annie zou kennen. Opnieuw gaf ze aan haar dubbelganger niet te kennen.

De jongen achter de toonbank had de haring op het broodje gelegd en deed er de uitjes over. ‘Wilt u er groenten bij?’ vroeg hij. ‘Nee, bah’, zei de Kate Winslet liefhebber. ‘Het is niet voor mij, ik geloof nooit dat hij er van houdt.’ Hij pakte het zakje met het broodje Kate Winslet en liep in de richting van de dame met de blauwe jas. ‘Ze heeft ook blond haar en blauwe ogen.’ De vrouw schudde nee alsof het zou helpen zich van de man te verlossen. Hij liep vlak langs haar heen, naar de deur. ‘En ze heeft net zo’n blauwe jas. Ken je Annie echt niet?’

Niemand gaf nog een antwoord. Hij keek nog eens om en liet de automatische schuifdeuren opengaan. De zaak gaf een lichte zucht van verluchting. Het leek of de dode vissen in de vitrine even opveerden van vreugde. Iedereen staarde weer vooruit en niemand zag hoe de man zich nog een keer omdraaide en uitvoerig alle ruggen van de mensen bestudeerde. ‘Kate Winslet’, zag ik de lippen bewegen. Of iets anders, het was te lang voor Annie.

Zoete broodjes

Als de bakker net zulk brood bakte als hij zijn klanten bediende, dan ging ik niet meer. Een ondernemer kan zich onderscheiden door goede service te geven. Concurrentie gaat niet alleen over prijs, maar ook in de bediening, service en entourage rond het product.

Mijn bakker heeft dat niet begrepen. Altijd moet mij de stagiair treffen, of de persoon die net begonnen is. Ze had het schort net omgedaan en vroeg of iedereen geholpen werd. Ik schudde met mijn hoofd. Ze vroeg het nog een keer en ik moest gillen. Had ik dat maar niet gedaan. De zes broden en bolletjes die ik bestelde gingen traag door de handen.

Het broodsnijapparaat kreeg iedere keer een brood te verduren, waarbij ze stoïcijns wachtte. Normaal kun je het volgende brood erachter stoppen en verder gaan. Van efficiency had ze niet gehoord en ze nam mijn bestelling steevast verkeerd op, waarbij ze ook nog een discussie wilde beginnen dat ik toch drie had gezegd in plaats van vier. Of bruin in plaats van wit. Of…

Het is dat het brood zo lekker is, anders ging ik er niet meer heen en pakte het brood uit de schap van de supermarkt.

Hippe monturen uitzwaaien

De trein suisde met hoge snelheid langs. ‘Dat maakt een hoop herrie met een hoorapparaat’, zei een oudere dame tegen haar gezelschap. Het was een eveneens ouder echtpaar, zestigers schatte ik zo snel. Genietend van de vut, eindelijk vrij onder het mom van mag ik ook genieten, ik heb er hard voor gewerkt en met van die hippe monturen waarmee je alle zestigers de laatste paar jaar ziet lopen.

Zijn haar was precies een centimeter lang. Haar haren vielen minder slordig dan van de vrouw met het hoorapparaat. ‘Nou’, zei de man. ‘Je woont een stuk beter dan waar je eerst woonde.’ De vrouw met het hoorapparaat hield het goede oor blijkbaar in zijn richting. Ze zweeg. ‘Ik bedoel dat andere dat was toch echt niks, zo ver weg van alles.’ De achterlichten van de trein werden steeds kleiner in de lijn naast het perron achter haar. Ze schudde met het hoofd. ‘Ik woonde daar niet slecht, alleen ik kon daar niet meer blijven.’

De vrouw met de hippe bril probeerde de verkeerd vallende opmerking van haar man recht te breien. ‘Hij bedoelt dat je daar zo afgelegen zat.’ ‘Ik had mooi uitzicht’, sprak ze tegen met een lichte afkeer in haar stem. ‘Je zit hier erg goed, zo lekker dicht bij het centrum.’ Hij wees naar de bouwput op en rond het station. ‘En het is echt een keurig huis, zeker als je het vergelijkt met eerst.’

De vrouw van het hoorapparaat en het nieuwe huis, mompelde iets buiten mijn richting, waarna de man maar over het carnaval begon. ‘Dit weekend begint het. Ik hoop dat het een beetje rustig blijft in de trein.’ Dit jaar zou hij niet gaan, hij had het wel gezien. Als je dan toch ging, moest je naar Groesbeek, het Nederlandse Keulen. ‘Als het om optocht gaat’, vervolgde hij.

De drie koplampen van de stoptrein kwamen naderbij. De vrouw met het hoorapparaat stond met de rug naar mij toe. Haar slordig gekapte haren waren helemaal grijs en lichtten een beetje gelig op. Ze gaf de man een hand. ‘Goede reis naar huis.’ Hij mompelde iets van dat het gezellig was.

Ik verwachtte dat ze de vrouw met de hippe bril een zoen zou geven. Ze kwamen nauwelijks dichter bij elkaar dan hun handen reikten en gaven een afstandelijk handje. Ik zag van deze afstand dat de hand niet stevig was. ‘En heel veel plezier volgende week in de sneeuw. Ik hoop dat je lekker kunt wandelen en zo.’ De vrouw met de hippe bril maakte er een beweging bij alsof ze een langlaufstok in iedere hand vasthield. Het zouden ook van die Nordicwalk-stokken kunnen zijn. De trein stond stil en het echtpaar stapte in. De vrouw met de grijzen haren liep al van ze weg. Een zwaai kon er niet meer af. Naar het betere plekje, lekker dicht bij het centrum.’

Snerpende stem

De stem snerpt door de donkere ochtend. Het spoorviaduct is de klankkast van deze klaroenstem. Je proeft dat de lucht zich door het nauwe gaatje van de stembanden perst. Ook als je probeert niet te luisteren, hoor je de stem toch.

‘Ja, dat is zeker niet om te lachen’, vertelt ze de Spitsuitdeler. Ik moet mij tussen hem en haar wringen om een krantje te bemachtigen. ‘Ze hebben hem geschorst.’ Het gesprek gaat verder, ik probeer mijn saldo van de Chipknip op te vijzelen. ‘Ongeschikte pas, ga naar bank’, vermeldt het display.

‘Ze zijn verschrikkelijk. Hij heeft even vastgezeten, maar dat zo’n verkrachter gewoon rond mag lopen.’ Ik sta met de rug naar haar toe en probeer te bedenken hoe ze eruit zag. Ik zie een winterjas in rood en wit, met letters, een beetje plasticachtig. ‘Het is toch schandalig’, reageert de stem op de krantenverdeler, die ik alleen maar hoor mompelen.

Je zou maar zo’n stem hebben, bedenk ik, terwijl ik voor de derde keer het pasje in het gleufje duw. Voor de derde keer vertelt het apparaat dezelfde mededeling. Eigenwijs en hardleers.