Vrijmarkt

Het staat helemaal stil in de Stationsstraat. Ik kijk over de rijen heen en kan niet duiden waarom de mensenmassa vast staat. De file van mensen lost zich niet op. Een vrouw vlak naast mij begint te schreeuwen. ‘In naam van de koningin, loop door. Ik ben een prinses hoor.’ Ze lachen hard om hun eigen grap. De oranje mutsen en geschminkte vlaggetjes op de wangen, het hoort.
Ik weet dat ik niks zal vinden. Twee stripalbums onder mijn armen, koopwaarde 1,50 euro, maar verder niets. Het is even droog op deze avond voor koninginnedag, maar ik heb spijt dat ik gegaan ben. De vrijmarkt hier in Almere levert weinig op.
De file komt langzaam in beweging, een paar nieuwkomers proberen iets voor mij een product af te dingen. Het is een sport om de prijs naar beneden te halen. Iedereen weet wat dat hij rotzooi verkoopt. De koper weet dat ook. Daarom probeert hij van een kwartje een dubbeltje te maken.
Als ik dan eindelijk verderop wat minder rotzooi zie en zelfs echt leuke dingetjes, slaat de teleurstelling toe. Een vreemde overschatting maakt zich van sommige verkopers meester. Alsof een broodblik van voor de oorlog ineens vijftien euro waard is. Of een setje borrelglaasjes duurder moeten zijn dan de borrel zelf.

Leaseleraar

Hij komt aangesjeesd in zijn dikke leasebak: de leraar Nederlands. Stoer blitst hij uit zijn auto, colbertje losjes over de schouder. Zijn haar vlot naar achteren gekamd en het nieuwste model brilmontuur op zijn neus.
Eigenlijk was ik best onthutst te lezen dat leraren worden weggekocht bij scholen en verleid worden met leasebakken en extra vrije dagen. Alsof geld boven roeping staat. Leraar worden is niet meer een kwestie van idealen, maar wordt door poen bepaald.
Zou het een topleraar zijn die rondcrost in die leasebak? Zouden leerlingen de volle drie kwartier van de les aan zijn lippen hangen? Of hebben de kids anders geen leraar voor het bord staan?
Ik denk het laatste. Het is zonde dat na jaren van wanbeleid in het onderwijs, nu geld over de balk wordt gesmeten met dit soort idioterie.
Als ik ooit besluit toch weer leraar te worden, dan zal het een beslissing zijn uit idealen en niet uit geld.

Het grote zwijgen

Soort sappige, waterrijke rankvrucht. Dat meldt een voetnoot over het woord watermeloen bij het verhaal ‘Beproewing’ van de Zuid-Afrikaanse schrijver van G.H. Franz. Dit weekend stuitte ik bij mijn kringloopwinkel op het boekje Zuidafrikaanse Letterkunde. Bloemlezing met toelichting en woordverklaring. Blijkbaar kende het publiek uit 1968 de sappige, waterrijke rankvrucht nog niet.
Het boekje is samengesteld in 1968 door F.E.J. Malherbe, hoogleraar in de Afrikaanse en Nederlandse Letterkunde aan de universiteit van Stellenbosch. De uitgave is ‘in het kader van de Nederlands-Belgische Zuid-Afrikaanse kulturele overeenkomsten en gesubsidieerd door de Zuid-Afrikaanse regering’.
Eybers, Marais, Totius, Leipoldt en Louw. Ze staan er allemaal in. Zelfs Ingrid Jonker en André Brink komen met gedichten en verhalen aan de orde. Een merkwaardig boekje, zeker ook als je de latere ophef meeneemt. Het grote zwijgen op de scholen over dit stukje literatuur, dat zo dicht tegen het Nederlands aanschuurt.
Dit boekje heeft het zwijgen niet doorbroken, misschien zelfs alleen maar versterkt. Eybers en Jonker worden dan wel genoemd, maar de gedichten ‘Jong seun’ en ‘Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga’ mist de bundel. Het is het vertekende beeld waar niemand over durft te praten en dat iedereen verzwijgt, dat zo sterk in deze bundel naar voren komt.

Playmobil kerk

Er is van dat speelgoed, waarvan je bij het zien even droomt weer kind te zijn. Zo bladerde ik vandaag in een speelgoedfolder en zag er de Playmobil kerk. Als dat in mijn jonge jaren te krijgen was geweest, had ik het zonder twijfel op mijn verjaardagsverlanglijstje gezet.
Het is een heuse kerk, compleet met dominee en bruidspaar. Echt speelgoed om een romantisch huwelijk mee na te bootsen. Compleet met klokkengelui en orgelspel, zo verzekert de advertentietekst erbij.
Die bruiloft zou niet zo interessant geweest zijn. Het kerkje spelen wel. De dominee zou mooi preken hebben gehouden voor een volle kerk en de gemeente zou onder begeleiding van het orgel prachtige psalmen gezongen hebben.
Of het allemaal geholpen zou hebben betwijfel ik. Geloven hangt niet af van Playmobil en ik heb van Lego genoeg kerken gebouwd. Het maakt dus allemaal niet zo uit. Bovendien zou in mijn fantasie waarschijnlijk niet het Rijnlandse model van de kerk passen.
Overigens zou ik de firma Playmobil willen adviseren een mooie moskee te maken volgens hetzelfde idee. Het zou de integratie ongetwijfeld bevorderen.

Twijfel die knaagt

Twee interviews in de Volkskrant van gisteren. Eén met Kees Fens zonder duidelijke reden, één met Kader Abdolah over zijn onlangs verschenen vertaling van de Koran en een beschrijving van het leven van de profeet.
De interviews vertoonden een grote overeenkomst: de twijfel die aan het schrijven knaagt. Je schrijft een prachtig stuk, bent ergens best tevreden. Je leest de tekst nog een keer en ziet alles wat er niet aan deugd. Verbeteren kan niet meer, want de verbeteringen die je kunt bedenken, zijn alleen maar verslechteringen. De twijfel geeft je een stomp recht in het gezicht. Ik kan niet schrijven, zie je wel, het deugd niet.
Kees Fens leest zijn stuk na en denkt ‘wat ben ik saai, wat ben ik ongelofelijk saai’. Kader Abdolah vindt dat hij niet die Grote Schrijver is die hij altijd had willen worden. ‘Ik ben onderweg. Met deze twee boeken heb ik mijn verleden nu verwerkt. Ik heb een fundament gelegd waarop ik verder kan.’
Twijfel vormt de zekerheid waarop het oeuvre is gebouwd. Het hoort bij het schrijven.

Terugreis

Een gevoel van weemoed vermengt zich met een gevoel van verlangen. De post van een paar weken die op je wacht, de boeken die in de nieuwe bibliotheekkamer wachten om gestreeld te worden en het uitzicht over de gracht. Of gewoon mijn eigen bed. ‘Er is geen lekkerder bed dan je eigen bed’, vindt mijn schoonmoeder.
De weemoed ligt in de wereld die ik de afgelopen twee weken leerde kennen. De heuvels, het groen, de broodjes, de knakworstjes en de Schinken. Ik heb met ze kennisgemaakt en moet ze nu weer in de steek laten. Een vriendschap te kort om echt vrienden te worden, maar in mijn geheugen is een nieuwe herinnering aan een landschap met haar steden.
Als we met volle magen van het ontbijtje wegrijden, is het goede voornemen voorbij Keulen te komen. Nu rijden we via Duitsland terug en de wegen zijn hier beter. Ook mag je hier sneller rijden. Het zal niet moeilijk zijn om onze missie te laten slagen.
Als de snelweg in zicht komt en de snelheid eindelijk op gang komt, doemen de bespiegelingen op in het geheugen. Hoe leuk het was en dat we zeker nog een keertje terug zullen gaan. We hebben niet alles gezien en de volgende keer gaan we dat dus wel doen.
De eerste wegversperring licht op in de vorm van een verkeersbord. Langzaam rijden, wegwerkzaamheden. Wat verderop mogen we niet hard rijden omdat de weg zo slecht is. We hobbelen als op de Belgische snelweg. Weer wat verder kachelen we 13 kilometer lang in een slakkengang voor weer andere werkzaamheden. ‘Papa, sneller rijden’, roept Doris vanaf de achterbank. Tijd om te pauzeren, Keulen ligt niet achter ons, maar naast ons, omdat we via Venlo besluiten te rijden. Dat Duitse Roergebied is niet alles.
Bij Nederland houdt de snelweg abrupt op. De Duitsers vinden Venlo belangrijker dan de Nederlanders. Als we dan eindelijk op de juiste snelweg naar het Noorden rijden, hebben we spijt dat we het Roergebied negeren. Wat zouden we ver geweest zonder de Nederlandse snelweg.
Het is vertrouwd en beschamend tegelijk als we in de file staan iets na Nijmegen. Maar als na A12 en A30 een bordje met Almere op de A1 verschijnt, dan voel ik mijn hart wat sneller kloppen. Weer thuis. Zou het huis er nog staan, is het niet leeggeplunderd en leven de vissen nog?

Heenreis

Eindigen met de heenreis. We rijden op tijd weg van huis, plannen een pauze een uur na het middaguur. Dan zijn we Nederland wel uit, denken we.
De wegen denken daar anders over. Geen files maar veel langzaam rijdend verkeer. Geen opstoppingen, maar openliggende wegen. De weg naar Luik blijft ons verrassen. Ook mijn idee van de stoplichten midden op de snelweg, bij Eindhoven. Ze zijn er, inderdaad, alleen veel later dan ik in mijn gedachten heb.
Machines graven bulten en gaten rond de weg. Het verkeer sluipt er tussen. Ze zoekt de smalle strook asfalt die er nog ligt. Boren drillen de vullingen uit het gebit en kiepauto’s komen met zand aan en rijden met zwarte aarde weg. Geel zand, dat is nodig om deze weg te redden.
Als we dan vlak na Eindhoven bij Weert een bordje patat met een kroketje eten, dan verbazen wij ons over het trage tempo. Dat gaan we terug dus niet doen, hebben we in het hoofd. Nu mag ik achter het stuur.
De Belgische wegen hobbelen de auto. Er liggen meer gaten in de weg dan stukjes asfalt rond de gaten. Ik sla me door het knooppunt bij Luik en heb moeite de nieuwe regels te snappen en toe te passen. Eindelijk begrijp ik het, een klaverblad is hier anders en je voegt van rechts in.
We rijden plankgas en de auto kruipt steeds langzamer. De teller daalt van 100 naar 90 en zakt verder naar beneden. De oren vallen steeds dicht en ik begrijp niet wat er nu gebeurt. Een versnelling lager, helpt niet, maar in de achteruitkijkspiegel zie ik geen rookpluimen. Ik denk dat de auto het begeeft, maar de benzinemeter is halfvol en de andere meter zegt ook niks raars. Geen lampjes branden en de rare luchtjes blijven eveneens weg.
Dan is het antwoord er: een hele diepe afgrond is voor ons. De snelweg zakt plotseling naar beneden. Als het water dat over het hoogste punt van de waterval glijdt en naar beneden stort. Zo versnelt zich het verkeer met ons naar beneden.
Als de Duitse Autobahn weer andere regels vertelt, wat verderop, en de sneeuw om ons heen dwarrelt, bedenk ik dat het onzin is dat ieder land zijn eigen verkeersregels heeft. Waarom regelen we dat niet centraal? Waarom moet het allemaal anders, terwijl alle verkeer op elkaar lijkt.
We voelen ons blij als het huisje in zicht komt. Lekker een kopje koffie met een broodje. Een echt Kaizerbrödchen. Daarvoor zijn we hier.

Blessure

Het moet een keer gebeuren met een hardloper: een blessure. Ik probeerde gistermiddag een rondje te lopen, maar het ging niet. Ik voelde mijn kuit bij iedere stap samentrekken en besloot dat het niet goed was om een training te beginnen.
Mijn kuit steekt bij het lopen. Ik kreeg er vorige week zondag last van bij mijn training en liep dapper door. Ik vond dinsdag dat ik gewoon een groot rondje moest kunnen lopen, maar dat viel tegen. Op vijf kilometer van huis sloeg de pijn in mijn kuit en met moeite kwam ik thuis.
De dag erna veel last. Het leek gisteren beter te gaan, maar honderd meter lopen leerde mij dat het onverstandig was om te trainen. Helaas.
En wanneer het over is? Geen idee. Ik baal, want mooier hardloopweer dan dit, kun je jezelf niet wensen. Prima temperatuur, zon en een heerlijk briesje. Beter kan niet…

Wemmebad

Voor mij is het misschien het toppunt van burgerlijkheid, zo’n park van Landal Greenparks. Voor Doris is het een heus feest. Het zwembad ligt op een paar minuten lopen van ons huisje. Het overdekte speelparadijs is een trap omhoog als je bij het zwembad bent.
We bezoeken het zwembad en het speelparadijs op de dagen dat we op en rond het bungalowpark blijven. Voor Doris veel speelplezier. Het zwembad is nog redelijk sober met een pierenbadje, een dieper zwembad in de vorm van een winkelhaak en een heus bubbelbad.
Doris maakt het allemaal niks uit, zij duikt wel in het ‘wemmebad’, zoals zij de bak met water noemt. Als ik een keertje met haar een duik in het diepe neem, verwondert een ouder echtpaar zich over de peuter zonder watervrees. Dat is het voordeel van een kind vroeg vertrouwd te laten zijn met water.
Het overdekte speelparadijs, volgens de prospecti bedraagt het oppervlak meer dan zeshonderd vierkante meter, is een ander verhaal. De speeltoestellen met ballen in alle kleuren en een glijkussen dat zo hoog is als haar huis in Almere, zijn een grote verleiding. Soms weet ze uit die verleiding geen keuze te maken en pompt haar hart adrenaline in plaats van bloed.
Als een enorme beer tenslotte haar ook nog een handje wil geven, barst ze in huilen uit. Of zoals ze het zelf later vertelde ‘Bollo de Beer… erg groot… beetje eng’. De puntjes duiden hier geen stilte maar een onverstaanbare taal.

Zand

Zand, water, lucht en vuur. Het zijn de vier elementen, die niet alleen natuurmensen beminnen, maar waar kinderen ook gek op zijn. De laatste behelst gevaar, net als de tweede als ze te lang onder water blijven. De eerste is in combinatie met de tweede tamelijk onschuldig. Gewoon de eerste alleen biedt al meer dan genoeg plezier.
Gistermiddag bij het tuincentrum om de hoek vier zakken speelzand gehaald. Afgelopen weekend had ik het oude zand met liters regenwater uit de zandbak geschept. Nu mocht er nieuw speelzand in de zandbak.
Hoe een kind zich uren met deze onschuld kan vermaken. Er komt geen einde aan. Zeker ook van de sporen. Als ik haar naar bed doe, haal ik flinke scheuten zand uit haar kleren en schoenen. Als ik door de kamer loop, knarst het zand onder mijn schoenen.
Om nog te zwijgen van de hoeveelheid zand die ik dagelijks uit de kamer stofzuig. Een zandspoor trekt van televisie naar buiten. Als ik het spoor volg, kom ik bij haar, die met een schepje en een kruiwagentje speelt. Ze laat het zand tussen haar vingers door glijden en neemt af en toe een hap. Terug naar de oorsprong…